Parlementaire vraag nr. 595 van de heer Duquesne van 08.10.1996
VRAAG 96/595
Vr. en Antw., Kamer, nr. 70, 1996-1997, blz. 9385-9386
Bull. nr. 771, pag. 1118
Belcotax - Aanslagtermijn
Naar ik verneem, hebben vele gepensioneerde belastingplichtigen met een bescheiden beroepsinkomen minder dan twee jaar geleden een brief gekregen van de Administratie der directe belastingen waarin hen gemeld wordt dat zij onder het Belcotax-systeem ressorteren en bijgevolg vrijgesteld zijn van de verplichte jaarlijkse aangifte.
Krachtens artikel 308, § 4, van het WIB 1992 zijn bedoelde belastingplichtigen evenwel gehouden spontaan en schriftelijk uiterlijk op 1 juni van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, aan de aanslagdienst waaronder zij ressorteren kennis te geven van elke wijziging in hun burgerlijke staat of in hun gezinslasten, en van elke wijziging in het bedrag van hun andere inkomsten dan beroepsinkomsten en in dat van de desbetreffende voorheffingen.
Eind juni 1996 ontvingen deze gepensioneerden een brief van hun controleur waarin staat dat de gegevens over hun situatie die de administratie automatisch kan vergaren, onvolledig zijn en dat het niet mogelijk geweest was hun eind maart 1996 een "voorstel van aanslag" toe te sturen. Derhalve zag de administratie zich tot haar spijt verplicht de betrokkenen te verzoeken een bijgevoegde aangifte voor het aanslagjaar 1995 (inkomsten van 1994) in te vullen en, conform artikel 308 van het WIB 1992, binnen de vermelde termijn terug te sturen.
Die procedure bevreemdt mij, want artikel 359 van het WIB 1992 bepaalt dat de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting op geldige wijze gevestigd kan worden tot 30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Mijns inziens had de situatie van de betrokken belastingplichtigen dus tegen 30 juni 1996 moeten worden geregulariseerd.
1. Moet een na 30 juni 1996 ingecohierde aanslag in dit geval als onregelmatig beschouwd worden en bijgevolg nietig worden verklaard wanneer bezwaar wordt ingediend ?
2. Zo neen, uit hoofde van welke wetsbepalingen mogen aanvullende belastingen worden gevestigd binnen de bij artikel 354 van het WIB 1992 vooropgestelde termijn ?
ANTWOORD
De artikelen 2, 2°, en 7 van de wet van 5 juli 1994 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - afgekort : WIB 92 -, wat de vestiging van de personenbelasting betreft (Belgisch Staatsblad van 16 juli 1994) hebben, met ingang van aanslagjaar 1994, de door het geacht lid aangehaalde bepalingen van artikel 308, § 4, WIB 92, opgeheven. Anderzijds hebben de artikelen 1, 1°, en 7 van dezelfde wet, eveneens met ingang van aanslagjaar 1994, artikel 306, WIB 92, aangevuld met een bepaling volgens welke de van de aangifteplicht in de personenbelasting vrijgestelde belastingplichtigen niettemin verplicht zijn een aangifte in te dienen wanneer hen dat uitdrukkelijk wordt gevraagd door een daartoe gemachtigd ambtenaar van de administratie der directe belastingen. Een dergelijke aangifte moet binnen de in artikel 308, § 1, WIB 92, bepaalde termijn bij de betrokken dienst toekomen.
Krachtens artikel 353, eerste lid, WIB 92, moet de belasting met betrekking tot de inkomsten en andere gegevens die vermeld zijn in de daartoe bestemde rubrieken van een naar de vorm en termijn regelmatige aangifte, worden gevestigd binnen de in artikel 359, WIB 92, vastgestelde termijn (30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd) die evenwel niet korter mag zijn dan zes maanden vanaf de datum waarop de aangifte bij de bevoegde aanslagdienst is toegekomen.
Bron: FisconetPlus
