Parlementaire vraag nr. 376 van de heer Wouter Vermeersch van 25.05.2020

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/026, d.d. 08.09.2020, blz. 23

De vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing

VRAAG

Artikel 275/3, §1, derde lid WIB 92 handelt over de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing die ondernemingen kunnen genieten wanneer men onderzoekers tewerkstelt in onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten of -programma's.

De Ci.RH.244/635.467 van 8 mei 2015, nrs 21, 27 en 30, handelt over de wijze van berekening van deze vrijstelling.

21. Deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting geldt overeenkomstig de laatste zin van artikel 275/3, §1, derde lid, 1°, WIB 92, enkel voor de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen die in het kader van het onderzoeks- of ontwikkelingsproject of -programma uitbetaald zijn tijdens de duurtijd van dat project en voor zover die betrekking hebben op een effectieve tewerkstelling in het onderzoeks- of ontwikkelingsproject of -programma. Dit houdt in dat, wanneer een onderzoeker slechts deeltijds tewerkgesteld is in een onderzoeksproject ter uitvoering van een samenwerkingsovereenkomst en deeltijds in dezelfde onderneming andere taken uitoefent, de verschuldigde bedrijfsvoorheffing eerst pro rata verdeeld moet worden over de bezoldigingen die betrekking hebben op de activiteiten uitgevoerd binnen het onderzoeksproject, enerzijds, en, over de resterende bezoldigingen, anderzijds. Enkel het gedeelte van de bedrijfsvoorheffing dat betrekking heeft op de bezoldigingen betaald in het kader van de effectieve tewerkstelling in het onderzoeksproject dat het voorwerp uitmaakt van de samenwerkingsovereenkomst, komt voor de vrijstelling in aanmerking.

27. Wanneer een werknemer als een onderzoeker, onderzoekstechnicus of projectbeheerder inzake onderzoek en ontwikkeling wordt aangemerkt, komt niet noodzakelijk zijn volledige bezoldiging in aanmerking voor deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. Deze vrijstellingsmaatregel mag enkel toegepast worden op de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen van het wetenschappelijk personeel die betrekking hebben op onderzoek of ontwikkeling. Anders gesteld, de bezoldigingen van het wetenschappelijk personeel komen slechts pro rata de tijd die ze effectief besteed hebben aan onderzoek of ontwikkeling, in aanmerking voor deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing.

30. Deze gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing mag enkel toegepast worden op de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de bezoldigingen van de onderzoekers die betrekking hebben op onderzoek en/of ontwikkeling verricht in het kader van één of meerdere onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of -programma's. Anders gesteld, de bezoldigingen van de onderzoekers komen slechts pro rata de tijd die ze effectief besteed hebben aan onderzoek en/of ontwikkeling binnen een onderzoeks-of ontwikkelingsproject of -programma, in aanmerking voor deze vrijstellingsmaatregel.

1. Dient het woord "effectief" geïnterpreteerd te worden in die zin dat de onderzoeker fysiek aanwezig dient te zijn?

2. Kunt u bevestigen dat de dagen van afwezigheid (wettelijke feestdagen, ziekte, jaarlijkse vakantie, inhaalrustdagen, syndicaal verlof, enz.), die verloond worden met inhouding van bedrijfsvoorheffing, eveneens in aanmerking mogen worden genomen voor de berekening van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing? In dat geval zou er immers nooit sprake kunnen zijn van een percentage van 100 % vrijstelling.

ANTWOORD

Voor de betrokken categorieën onderzoekers (artikel 275^3, §1, derde lid, WIB 92) geldt inderdaad een pro rata regeling, zoals uiteengezet in de nr. 21, 27 en 30 van de vermelde circulaire.

Ik meen dat men die regeling kan interpreteren in die zin dat op de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de volledige bezoldiging van een onderzoeker in de betrokken maand of kwartaal een verhouding moet worden toegepast, die bestaat uit de totale arbeidsduur die effectief door deze onderzoeker gepresteerd is aan onderzoek tegenover zijn totale effectief gepresteerde arbeidsduur. Het resultaat geeft dan de bedrijfsvoorheffing die in principe in aanmerking komt voor de vrijstelling van doorstorting.

De dagen van afwezigheid die verloond worden door de betrokken onderneming komen daardoor ook in aanmerking voor de berekening van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing. Het lijkt mij ter zake gerechtvaardigd om de loonkost van onderzoekers ook voor die dagen te verlagen door de vrijstelling van doorstorting toe te passen.

De beoogde effectieve arbeidsprestaties vergen daarbij niet noodzakelijk een fysieke aanwezigheid van de betreffende onderzoeker op de werkvloer van de onderneming, maar kunnen ook thuis (via telewerk) of elders gepresteerd worden.