Parlementaire vraag nr. 719 van de heer Lefevre van 08.06.2001
VRAAG 01/719
Vraag nr. 719 van de heer Lefevre dd. 08.06.2001
Bull. nr. 829, pag. 2385-2389
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 92, blz. 10540-10543
Beroepskosten - Burgemeester en schepenen
VRAAG
Burgemeesters en schepenen mogen een bij besluit vastgesteld forfaitair bedrag of een met bewijsstukken gestaafd werkelijk bedrag als aftrekbare beroepskosten die met hun functie verband houden, aangeven. Afgezien van die aftrekbare kosten blijkt dat in sommige gemeenten telefoon, reis, representatiekosten, enz. die in uiteenlopende rubrieken in de gemeentebegroting zijn opgenomen, aan leden van het college worden terugbetaald, soms zonder dat daarvoor zeer precieze bewijsstukken worden bezorgd, met name wat de telefoonkosten betreft.
De gemeenten blijken de kosten die zij terugbetalen niet bij de belastingadministratie aan te geven.
1. Welke regels gelden terzake?
2. Hebben de gemeenten dienaangaande instructies ontvangen?
3. Mogen burgemeesters en schepenen die voor de forfaitaire aftrek van de beroepskosten hebben gekozen, van de gemeenten eisen dat zij al dan niet aangegeven bijkomende kosten terugbetalen?
4. Als die mandatarissen hun werkelijke beroepskosten aangeven en de gemeenten hun bepaalde kosten terugbetalen, moeten zij die terugbetaalde kosten dan niet samen met hun vergoeding in hun aangifte vermelden?
5. Wanneer burgemeesters en schepenen thuis kunnen beschikken over computerapparatuur, een fax, een vaste en/of draagbare telefoon waarvan de gebruikskosten door de gemeenten worden betaald, moeten die terbeschikkingstelling en die gebruikskosten dan worden aangegeven en zo ja, door wie?
ANTWOORD
Ik wil vooreerst de aandacht van het geachte lid vestigen op het feit dat inzake beroepskosten, de burgemeesters, schepenen en voorzitters van openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW), zonder nadere rechtvaardigingen, met betrekking tot hun mandaat een forfaitair bedrag aan beroepskosten mogen aftrekken. Voor het jaar 2000 zijn die forfaitaire bedragen vastgesteld op 185.529 frank (4.599,14 euro) voor een burgemeester en op 111.332 frank (2.759,85 euro) voor een schepen of een OCMW-voorzitter.
De betrokken mandatarissen kunnen eveneens het gewoon wettelijk forfait bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) vragen indien dit het voornoemd forfait overschrijdt, of opteren voor de aftrek van hun werkelijke beroepskosten op voorwaarde ze te rechtvaardigen overeenkomstig artikel 49, WIB 1992.
Dit gezegd zijnde, vindt het geachte lid hierna de antwoorden op zijn vragen.
1 en 3. Met betrekking tot de tussenkomst van de gemeente in bepaalde kosten, moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het gaat om kosten die ten haren laste vallen, zoals bijvoorbeeld verplaatsingen om de burgemeester in staat de stellen in die hoedanigheid een plechtigheid waarop zijn aanwezigheid vereist is, bij te wonen, of daarentegen, om kosten die normaal ten laste van de verkrijger vallen, zoals inzonderheid de zuivere privé-verplaatsingen - daarin begrepen de verplaatsingen om deel te nemen aan bals, enz. - of de verplaatsingen tussen de woonplaats en het gemeentehuis.
Alleen de tenlasteneming van kosten van deze tweede categorie leidt tot een als bezoldiging belastbaar voordeel in hoofde van de genieter.
In de mate dat dergelijke kosten de aard hebben van verantwoorde aftrekbare beroepskosten, kan het ermee overeenstemmende belastbare voordeel als werkelijke beroepskosten worden afgetrokken op voorwaarde dat het in artikel 49, WIB 1992 bedoelde bewijs is geleverd en met inachtneming van de eventueel terzake geldende wettelijke beperkingen [bijvoorbeeld de terugbetaling van de kosten voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en het gemeentehuis welke, enerzijds, belastbaar zijn als voordeel van alle aard en, anderzijds, in bepaalde gevallen aftrekbaar zijn ten belope van 6 frank (0,15 euro) per kilometer].
Het spreekt voor zich dat indien de betrokkene voor het (wettelijk of bijzonder) forfait kiest, die kosten vanzelfsprekend worden geacht in dit forfait begrepen te zijn.
Uit het voorgaande volgt dan wanneer een gemeente de persoonlijke kosten van de burgemeester of van een schepen ten laste neemt, het de belastbare grondslag van de verkrijger is die in dezelfde mate wordt verhoogd en die bijgevolg de berekeningsgrondslag vormt voor het wettelijk forfait van de beroepskosten.
2. De in de vragen van het geachte lid bedoelde fiscale bepalingen maken het voorwerp uit van de nrs. 31/8 tot 15 en 31/30 tot 43 en 51/39 van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De gemeenten hebben terzake geen specifieke richtlijnen ontvangen. Zij zijn, zoals de andere schuldenaars van inkomsten, gehouden de loonfiches 281.10 en de ermee overeenstemmende samenvattende opgaven op naam van de burgemeesters en schepenen in te vullen op de manier voorzien in het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten dat jaarlijks in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd. Het laatste bericht terzake werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 april 2001, erratum van 24 april 2001.
4. Indien de betrokkenen de terugbetaling van betaalde kosten gemaakt in het kader van de uitoefening van hun mandaat ontvangen, moeten dergelijke terugbetalingen in voorkomend geval worden afgetrokken van de ermee overeenstemmende werkelijke beroepskosten die ze vragen.
5. Wanneer een gemeente informaticamateriaal, een fax, een vaste telefoon, enz. ter beschikking stelt van een burgemeester of van een schepen, voor privé-gebruik van de verkrijger, leidt deze terbeschikkingstelling effectief tot een belastbaar voordeel van alle aard in hoofde van deze laatste. Bovendien is de werkgever gehouden dit voordeel op de loonfiches 281.10 en de ermee overeenstemmende samenvattende opgaven op naam van genieters te vermelden.
Vraag nr. 719 van de heer Lefevre dd. 08.06.2001
Bull. nr. 829, pag. 2385-2389
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 92, blz. 10540-10543
Beroepskosten - Burgemeester en schepenen
VRAAG
Burgemeesters en schepenen mogen een bij besluit vastgesteld forfaitair bedrag of een met bewijsstukken gestaafd werkelijk bedrag als aftrekbare beroepskosten die met hun functie verband houden, aangeven. Afgezien van die aftrekbare kosten blijkt dat in sommige gemeenten telefoon, reis, representatiekosten, enz. die in uiteenlopende rubrieken in de gemeentebegroting zijn opgenomen, aan leden van het college worden terugbetaald, soms zonder dat daarvoor zeer precieze bewijsstukken worden bezorgd, met name wat de telefoonkosten betreft.
De gemeenten blijken de kosten die zij terugbetalen niet bij de belastingadministratie aan te geven.
1. Welke regels gelden terzake?
2. Hebben de gemeenten dienaangaande instructies ontvangen?
3. Mogen burgemeesters en schepenen die voor de forfaitaire aftrek van de beroepskosten hebben gekozen, van de gemeenten eisen dat zij al dan niet aangegeven bijkomende kosten terugbetalen?
4. Als die mandatarissen hun werkelijke beroepskosten aangeven en de gemeenten hun bepaalde kosten terugbetalen, moeten zij die terugbetaalde kosten dan niet samen met hun vergoeding in hun aangifte vermelden?
5. Wanneer burgemeesters en schepenen thuis kunnen beschikken over computerapparatuur, een fax, een vaste en/of draagbare telefoon waarvan de gebruikskosten door de gemeenten worden betaald, moeten die terbeschikkingstelling en die gebruikskosten dan worden aangegeven en zo ja, door wie?
ANTWOORD
Ik wil vooreerst de aandacht van het geachte lid vestigen op het feit dat inzake beroepskosten, de burgemeesters, schepenen en voorzitters van openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW), zonder nadere rechtvaardigingen, met betrekking tot hun mandaat een forfaitair bedrag aan beroepskosten mogen aftrekken. Voor het jaar 2000 zijn die forfaitaire bedragen vastgesteld op 185.529 frank (4.599,14 euro) voor een burgemeester en op 111.332 frank (2.759,85 euro) voor een schepen of een OCMW-voorzitter.
De betrokken mandatarissen kunnen eveneens het gewoon wettelijk forfait bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) vragen indien dit het voornoemd forfait overschrijdt, of opteren voor de aftrek van hun werkelijke beroepskosten op voorwaarde ze te rechtvaardigen overeenkomstig artikel 49, WIB 1992.
Dit gezegd zijnde, vindt het geachte lid hierna de antwoorden op zijn vragen.
1 en 3. Met betrekking tot de tussenkomst van de gemeente in bepaalde kosten, moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het gaat om kosten die ten haren laste vallen, zoals bijvoorbeeld verplaatsingen om de burgemeester in staat de stellen in die hoedanigheid een plechtigheid waarop zijn aanwezigheid vereist is, bij te wonen, of daarentegen, om kosten die normaal ten laste van de verkrijger vallen, zoals inzonderheid de zuivere privé-verplaatsingen - daarin begrepen de verplaatsingen om deel te nemen aan bals, enz. - of de verplaatsingen tussen de woonplaats en het gemeentehuis.
Alleen de tenlasteneming van kosten van deze tweede categorie leidt tot een als bezoldiging belastbaar voordeel in hoofde van de genieter.
In de mate dat dergelijke kosten de aard hebben van verantwoorde aftrekbare beroepskosten, kan het ermee overeenstemmende belastbare voordeel als werkelijke beroepskosten worden afgetrokken op voorwaarde dat het in artikel 49, WIB 1992 bedoelde bewijs is geleverd en met inachtneming van de eventueel terzake geldende wettelijke beperkingen [bijvoorbeeld de terugbetaling van de kosten voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en het gemeentehuis welke, enerzijds, belastbaar zijn als voordeel van alle aard en, anderzijds, in bepaalde gevallen aftrekbaar zijn ten belope van 6 frank (0,15 euro) per kilometer].
Het spreekt voor zich dat indien de betrokkene voor het (wettelijk of bijzonder) forfait kiest, die kosten vanzelfsprekend worden geacht in dit forfait begrepen te zijn.
Uit het voorgaande volgt dan wanneer een gemeente de persoonlijke kosten van de burgemeester of van een schepen ten laste neemt, het de belastbare grondslag van de verkrijger is die in dezelfde mate wordt verhoogd en die bijgevolg de berekeningsgrondslag vormt voor het wettelijk forfait van de beroepskosten.
2. De in de vragen van het geachte lid bedoelde fiscale bepalingen maken het voorwerp uit van de nrs. 31/8 tot 15 en 31/30 tot 43 en 51/39 van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De gemeenten hebben terzake geen specifieke richtlijnen ontvangen. Zij zijn, zoals de andere schuldenaars van inkomsten, gehouden de loonfiches 281.10 en de ermee overeenstemmende samenvattende opgaven op naam van de burgemeesters en schepenen in te vullen op de manier voorzien in het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten dat jaarlijks in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd. Het laatste bericht terzake werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 april 2001, erratum van 24 april 2001.
4. Indien de betrokkenen de terugbetaling van betaalde kosten gemaakt in het kader van de uitoefening van hun mandaat ontvangen, moeten dergelijke terugbetalingen in voorkomend geval worden afgetrokken van de ermee overeenstemmende werkelijke beroepskosten die ze vragen.
5. Wanneer een gemeente informaticamateriaal, een fax, een vaste telefoon, enz. ter beschikking stelt van een burgemeester of van een schepen, voor privé-gebruik van de verkrijger, leidt deze terbeschikkingstelling effectief tot een belastbaar voordeel van alle aard in hoofde van deze laatste. Bovendien is de werkgever gehouden dit voordeel op de loonfiches 281.10 en de ermee overeenstemmende samenvattende opgaven op naam van genieters te vermelden.
Bron: FisconetPlus
