Parlementaire vraag nr. 973 van de heer Tant van 03.07.1997

VRAAG 97/973

Vraag nr. 973 van de heer Tant dd. 03.07.1997


Bull. nr. 777, pag. 2882

Vr. en Antw., Kamer, nr. 96, 1996-1997, blz. 13050-13052

BTW-Revue nr. 131, blz. 1173

Kostenvergoeding naschoolse opvang.

VRAAG

De inrichtende macht van de basisscholen zien dat vele ouders hun kinderen ruim voor de aanvang van de lessen naar school brengen en ze pas ruim na de schooltijd ophalen. Sommige scholen hebben dientengevolge in een voor- en naschoolse opvangdienst met eigen personeel voorzien.

Andere scholen zijn daar echter om diverse redenen niet toe in staat en doen beroep op vrijwilligers. Deze worden gerekruteerd onder de leerkrachten of onder de ouders. In dit geval is het dikwijls een niet-werkende ouder die tegen een minimale kostenvergoeding, gedragen door de individuele ouders die nood hebben aan deze voor- en naschoolse opvang voor de kinderen, deze taak waarneemt.

1. Welke classificatie kent u aan deze kostenvergoeding toe indien dit gebeurt door een al dan niet werkende ouder die een kostenvergoeding ontvangt van de individuele ouders?

2. Tot welke administratieve handeling kan de inrichtende macht worden verplicht indien, de personen deze dienstverlening verrichten binnen de infrastructuur van een school?

3. Kan voor deze personen een vrijstelling van bijdrage worden toegestaan als vrijwillige sociale dienstverlening aan de gemeenschap, gelet op het geringe bedrag dat bij deze dienstverlening wordt ontvangen en die nauwelijks tot helemaal niet de door deze personen gemaakte kosten dekken?

4. Indien deze vrijstelling niet kan worden verleend, kan dan een vast bedrag per prestatie worden bepaald dat geldt als beroepskosten?

ANTWOORD

Het geacht lid gelieve hierna de antwoorden op zijn vragen te vinden.



1.Wat de directe belastingen betreft:
1) De personen die voor- of naschoolse opvang verrichten in een door de school georganiseerd kader worden doorgaans geacht te zijn aangeworven of aangesteld door die school om die opvang in uitvoering van een (eventueel stilzwijgende) arbeidsovereenkomst te verrichten.

De vergoedingen voor dergelijke opvang moeten in dat geval als belastbare bezoldigingen van werknemers in de zin van de artikelen 30, 1° en 31, tweede lid, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 1992) worden aangemerkt.

Overeenkomstig de voormelde artikelen zijn alle beloningen die, ongeacht de schuldenaar of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend, de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever, immers belastbare bezoldigingen.

2) De onderwijsinstelling moet de bedrijfsvoorheffing op die vergoedingen aangeven en betalen en moet die vergoedingen op een, individuele fiche nr. 281.10 tegenover de kenletter "T" en op de ermede samenvattende opgave nr. 325.10 vermelden.

Het feit dat die vergoedingen aan de onderwijsinstelling, of rechtstreeks aan de persoon die de opvang verricht, worden betaald, doet geen afbreuk aan die verplichting.

3) en 4) Dergelijke vergoedingen kunnen noch geheel noch gedeeltelijk (bijvoorbeeld tegen een vast bedrag als kostenvergoeding) van belasting worden vrijgesteld.

Het spreekt evenwel vanzelf dat de betrokken personen krachtens artikel 49, WIB 1992, het bedrag van die vergoedingen in hun aangifte in de personenbelasting mogen verminderen met de kosten die zij voor het verkrijgen van die vergoeding hebben gedaan of gedragen en waarvan zij de echtheid en het bedrag verantwoorden door middel van bewijsstukken.

Bij gebrek aan dergelijk bewijs is het wettelijk forfait voor beroepskosten van artikel 51, WIB 1992, op die vergoedingen van toepassing.



2.Wat de BTW betreft:
Overeenkomstig artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-wetboek, is het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen van de BTW vrijgesteld.

Op grond van genoemde bepaling zijn de diensten inzake voor- en naschoolse opvang die door scholen worden georganiseerd van de belasting vrijgesteld. Het speelt geen rol of de school voor bedoelde opvang al dan niet beroep doet op eigen personeel dan wel op vrijwilligers aangezien laatstgenoemde geacht worden te handelen in een band van ondergeschiktheid tegenover de school.