Parlementaire vraag nr. 214 van mevrouw Pieters van 13.01.2004
VRAAG 04/214
Vraag nr. 214 van mevrouw Pieters dd. 13.01.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 26, blz. 4000-4003
Autokosten woon-werkverkeer - Bewijslast - Controle (ter plaatste) - Kinderen
VRAAG
Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 49 en 66, § 4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 hebben alle loontrekkers uit de private en uit de openbare sector het onbetwistbaar recht hun verplaatsingskosten per auto voor het traject tussen de woonplaats en de vaste plaats van tewerkstelling forfaitair in rekening brengen.
De verplaatsingskosten om tijdens de middagpauze terug te keren naar de woonplaats vormen daarbij eveneens forfaitair aftrekbare beroepskosten.
Krachtens de bepalingen van artikel 66, § 4, WIB 1992 mogen zij die autokosten becijferen aan 0,15 euro per kilometer (voorheen 6 frank).
Bij toepassing van dit artikel 66, § 4, WIB 1992 rijzen in de praktijk echter nog steeds de volgende algemene vragen.
1. Kunnen die loontrekkers tijdens de gewone kantooruren "verplicht" worden om zelf met werkverlet onder meer de volgende verantwoordingsstukken op de taxatiediensten binnen te brengen:
a) Mogen de al dan niet inwonende meerderjarige doch nog niet kapitaalkrachtige kinderen die bewuste forfaitaire regel (= 0,15 euro) eveneens toepassen, wanneer ze tijdens het beschouwde belastbare tijdperk gebruik hebben gemaakt van de personenauto die eigendom is van hun ouders (vader, moeder of stiefouder)?
b) Zo neen, waarom in de algemene praktijk naar verluidt veelal niet?
3. Kunnen in het licht van de bepalingen van artikel 315, WIB 1992, en van alle wetten op de privacy de belastingambtenaren dienaangaande een controlebezoek ten huize van die loontrekkers-onkostenbewijzers uitvoeren om het aspect van die forfaitaire regel (= 0,15 euro) grondig te verifiëren?
4.
a) Kunnen die loontrekkers-onkostenbewijzers ten belastingkantore meteen verplicht worden om een akkoordverklaring te ondertekenen wanneer de onderzoekende ambtenaren van persoonlijke mening zijn dat het aantal afgelegde kilometers te hoog of onjuist is?
b) Welke pragmatische onderzoeksmethoden en werkwijzen worden door de centrale diensten terzake sterk aanbevolen?
5.
a) Op welke concrete wijze en praktische manier moeten die loontrekkers het werkelijk aantal afgelegde kilometers bewijzen om alle mogelijke fiscale discussies te vermijden?
b) Hoe kunnen zij die bewijsvoering in de loop van het belastbare tijdperk dermate organiseren zodat de lokale belastingdiensten achteraf nooit discussies moeten voeren?
c) Moeten de belastingplichtigen zich zomaar lukraak meteen neerleggen bij losse berekeningen gemaakt bijvoorbeeld aan de hand van routeplanners op het internet waarbij alleen maar de kortste weg, de afstand in vogelvlucht of de officiële afstand van kerktoren tot kerktoren wordt gehanteerd ?
d) Moet hier niet veeleer altijd het werkelijk gevolgd traject in aanmerking worden genomen (snelste en veiligste weg via autostrades daarbij rekening houdend met gebeurlijke wegomleggingen)?
6. Kan u, punt per punt, uw huidige algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van artikel 66, § 4, WIB 1992 en in het kader van tax-on-web, de nieuwe en klantvriendelijke fiscale cultuur alsmede van de beginselen van een behoorlijk en performant bestuur?
ANTWOORD (minister van Financiën, 24.03.2004)
1 en 3. Krachtens artikel 315 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) is eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting verplicht aan de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan zijn boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen. De aanslagambtenaar mag dan ook niet eisen dat bedoelde stukken naar de kantoren van de administratie zouden worden gebracht of, a fortiori, dat ze er eenvoudig zouden worden afgegeven met het oog op een latere bespreking.
Hieruit volgt dat de bedoelde ambtenaren zich eventueel ter plaatse dienen te begeven om de nodige verificaties van voornoemde bescheiden uit te voeren. Het is wel toegestaan en in de praktijk ook wel de regel om de belastingplichtige daartoe op het kantoor uit te nodigen, zonder dat daardoor echter enige verplichting kan ontstaan voor de belastingplichtige.
2. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 66, § 5, laatste alinea, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, mag het forfait van 0,15 euro worden toegekend aan de echtgenoot of aan een kind van de belastingplichtige indien die echtgenoot of dat kind het voertuig gebruikt voor de woon-werkverplaatsingen, met dien verstande evenwel dat het forfait slechts aan één enkele belastingplichtige mag worden toegekend voor het gezamenlijk afgelegde traject.
Het begrip "kind" moet worden beoordeeld in de zin die eraan wordt gegeven in artikel 2, § 3, van voormeld Wetboek, namelijk de afstammelingen van de belastingplichtige en van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
Terzake is het niet vereist dat de kinderen met de belastingplichtige samenwonen of, meer nog, fiscaal te zijnen laste zijn.
4. Indien de administratie meent de inkomsten of andere gegevens te moeten wijzigen die door de belastingplichtige werden aangegeven of schriftelijk erkend, is zij ertoe gehouden de bij artikel 346, WIB 1992, opgelegde verplichtingen na te leven. Geen enkele wettekst verbiedt evenwel de administratie dat bedrag vast te stellen met het vrijelijk betuigd akkoord van de belastingplichtige. Echter, de belastingplichtige is er in geen enkel geval toe gehouden deze procedure van wijziging te aanvaarden en het spreekt vanzelf dat de gewijzigde aanslagen als willekeurig zouden worden beschouwd zodra de belastingplichtige het bewijs zou leveren dat de gesloten akkoorden op een morele dwang, een gebrek aan toestemming of een vergissing berusten.
5. Het bewijs omtrent het werkelijk aantal afgelegde kilometers kan geleverd worden met de middelen die op belastinggebied gebruikelijk zijn inzonderheid de aankoop- en onderhoudsfacturen van het voertuig waarop de kilometerstand is vermeld en alle andere bewijskrachtige bescheiden die de aanslagambtenaar ten genoege van recht de redelijke overtuiging van het aantal afgelegde kilometers woon-werkverkeer bijbrengen.
6. Ik verwijs naar de hiervoor gegeven antwoorden.
Vraag nr. 214 van mevrouw Pieters dd. 13.01.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 26, blz. 4000-4003
Autokosten woon-werkverkeer - Bewijslast - Controle (ter plaatste) - Kinderen
VRAAG
Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 49 en 66, § 4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 hebben alle loontrekkers uit de private en uit de openbare sector het onbetwistbaar recht hun verplaatsingskosten per auto voor het traject tussen de woonplaats en de vaste plaats van tewerkstelling forfaitair in rekening brengen.
De verplaatsingskosten om tijdens de middagpauze terug te keren naar de woonplaats vormen daarbij eveneens forfaitair aftrekbare beroepskosten.
Krachtens de bepalingen van artikel 66, § 4, WIB 1992 mogen zij die autokosten becijferen aan 0,15 euro per kilometer (voorheen 6 frank).
Bij toepassing van dit artikel 66, § 4, WIB 1992 rijzen in de praktijk echter nog steeds de volgende algemene vragen.
1. Kunnen die loontrekkers tijdens de gewone kantooruren "verplicht" worden om zelf met werkverlet onder meer de volgende verantwoordingsstukken op de taxatiediensten binnen te brengen:
- bestelbon en aankoopfactuur van de personenwagen;
- bewijs van betaling van de verkeersbelasting;
- verzekeringspolis en kwitanties (burgerlijke aansprakelijkheid, omnium en bijstand);
- boorddocumenten zoals inschrijvingsbewijs DIV, gelijkvormigheidattest en schouwingsbewijs;
- voorlopig of definitief rijbewijs;
- financierings- en leasingcontracten;
- identiteitskaart;
- facturen inzake benzine of dieselverbruik;
- parkeerticketten;
- attesten van de werkgevers inzake afgelegde kilometers?
a) Mogen de al dan niet inwonende meerderjarige doch nog niet kapitaalkrachtige kinderen die bewuste forfaitaire regel (= 0,15 euro) eveneens toepassen, wanneer ze tijdens het beschouwde belastbare tijdperk gebruik hebben gemaakt van de personenauto die eigendom is van hun ouders (vader, moeder of stiefouder)?
b) Zo neen, waarom in de algemene praktijk naar verluidt veelal niet?
3. Kunnen in het licht van de bepalingen van artikel 315, WIB 1992, en van alle wetten op de privacy de belastingambtenaren dienaangaande een controlebezoek ten huize van die loontrekkers-onkostenbewijzers uitvoeren om het aspect van die forfaitaire regel (= 0,15 euro) grondig te verifiëren?
4.
a) Kunnen die loontrekkers-onkostenbewijzers ten belastingkantore meteen verplicht worden om een akkoordverklaring te ondertekenen wanneer de onderzoekende ambtenaren van persoonlijke mening zijn dat het aantal afgelegde kilometers te hoog of onjuist is?
b) Welke pragmatische onderzoeksmethoden en werkwijzen worden door de centrale diensten terzake sterk aanbevolen?
5.
a) Op welke concrete wijze en praktische manier moeten die loontrekkers het werkelijk aantal afgelegde kilometers bewijzen om alle mogelijke fiscale discussies te vermijden?
b) Hoe kunnen zij die bewijsvoering in de loop van het belastbare tijdperk dermate organiseren zodat de lokale belastingdiensten achteraf nooit discussies moeten voeren?
c) Moeten de belastingplichtigen zich zomaar lukraak meteen neerleggen bij losse berekeningen gemaakt bijvoorbeeld aan de hand van routeplanners op het internet waarbij alleen maar de kortste weg, de afstand in vogelvlucht of de officiële afstand van kerktoren tot kerktoren wordt gehanteerd ?
d) Moet hier niet veeleer altijd het werkelijk gevolgd traject in aanmerking worden genomen (snelste en veiligste weg via autostrades daarbij rekening houdend met gebeurlijke wegomleggingen)?
6. Kan u, punt per punt, uw huidige algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van artikel 66, § 4, WIB 1992 en in het kader van tax-on-web, de nieuwe en klantvriendelijke fiscale cultuur alsmede van de beginselen van een behoorlijk en performant bestuur?
ANTWOORD (minister van Financiën, 24.03.2004)
1 en 3. Krachtens artikel 315 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) is eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting verplicht aan de administratie, op haar verzoek, zonder verplaatsing, met het oog op het nazien ervan zijn boeken en bescheiden voor te leggen die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen. De aanslagambtenaar mag dan ook niet eisen dat bedoelde stukken naar de kantoren van de administratie zouden worden gebracht of, a fortiori, dat ze er eenvoudig zouden worden afgegeven met het oog op een latere bespreking.
Hieruit volgt dat de bedoelde ambtenaren zich eventueel ter plaatse dienen te begeven om de nodige verificaties van voornoemde bescheiden uit te voeren. Het is wel toegestaan en in de praktijk ook wel de regel om de belastingplichtige daartoe op het kantoor uit te nodigen, zonder dat daardoor echter enige verplichting kan ontstaan voor de belastingplichtige.
2. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 66, § 5, laatste alinea, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, mag het forfait van 0,15 euro worden toegekend aan de echtgenoot of aan een kind van de belastingplichtige indien die echtgenoot of dat kind het voertuig gebruikt voor de woon-werkverplaatsingen, met dien verstande evenwel dat het forfait slechts aan één enkele belastingplichtige mag worden toegekend voor het gezamenlijk afgelegde traject.
Het begrip "kind" moet worden beoordeeld in de zin die eraan wordt gegeven in artikel 2, § 3, van voormeld Wetboek, namelijk de afstammelingen van de belastingplichtige en van zijn echtgenoot, alsmede de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
Terzake is het niet vereist dat de kinderen met de belastingplichtige samenwonen of, meer nog, fiscaal te zijnen laste zijn.
4. Indien de administratie meent de inkomsten of andere gegevens te moeten wijzigen die door de belastingplichtige werden aangegeven of schriftelijk erkend, is zij ertoe gehouden de bij artikel 346, WIB 1992, opgelegde verplichtingen na te leven. Geen enkele wettekst verbiedt evenwel de administratie dat bedrag vast te stellen met het vrijelijk betuigd akkoord van de belastingplichtige. Echter, de belastingplichtige is er in geen enkel geval toe gehouden deze procedure van wijziging te aanvaarden en het spreekt vanzelf dat de gewijzigde aanslagen als willekeurig zouden worden beschouwd zodra de belastingplichtige het bewijs zou leveren dat de gesloten akkoorden op een morele dwang, een gebrek aan toestemming of een vergissing berusten.
5. Het bewijs omtrent het werkelijk aantal afgelegde kilometers kan geleverd worden met de middelen die op belastinggebied gebruikelijk zijn inzonderheid de aankoop- en onderhoudsfacturen van het voertuig waarop de kilometerstand is vermeld en alle andere bewijskrachtige bescheiden die de aanslagambtenaar ten genoege van recht de redelijke overtuiging van het aantal afgelegde kilometers woon-werkverkeer bijbrengen.
6. Ik verwijs naar de hiervoor gegeven antwoorden.
Bron: FisconetPlus
