Parlementaire vraag nr. 26395 van de heer Johan Klaps van 10.07.2018

Kamer, Integraal Verslag – Commissie voor de Financiën, 2017-2018 CRIV 54 COM 948 d.d. 10.07.2017, blz. 13

Taxshelter voor audiovisuele werken

VRAAG (van de heer Klaps)

In het kader van het stelsel van de taxshelter voor de audiovisuele sector, meer bepaald artikel 194ter, §1, lid 5 van het WIB 92, is het mogelijk om onder bepaalde omstandigheden uitgaven gedaan binnen zes maanden voorafgaand aan de ondertekening van de raamovereenkomst voor het in aanmerking komend werk, als in aanmerking komende uitgaven te beschouwen, voor zover de betrokken Gemeenschap het werk heeft erkend en voor zover de productievennootschap kan verantwoorden waarom het noodzakelijk was dat deze uitgaven moesten worden gedaan vóór en niet na de ondertekening.

Deze uitzondering op de algemene regel dat uitgaven slechts in aanmerking worden genomen indien zij worden gedaan vanaf de ondertekening van de raamovereenkomst, was ingegeven door het feit dat er door bepaalde uitzonderlijke omstandigheden een verschil kan bestaan tussen het moment waarop de fondsen worden opgehaald en de timing van de producties, die meestal seizoensgebonden zijn.

In de FAQ van 13 september 2017 preciseert de administratie onder welke voorwaarden uitgaven gedaan binnen de zes maanden vóór de ondertekening van de raamovereenkomst, als uitzondering op de algemene regel dus toch in aanmerking kunnen worden genomen. Zij bepaalt hierin ook dat de productievennootschap ook andere, niet in de FAQ genoemde, uitzonderlijke omstandigheden ter verantwoording zou kunnen inroepen.

De impact van de hervorming van de vennootschapsbelasting van eind december 2017, meer bepaald de gewijzigde regeling inzake voorafbetalingen en het feit dat de bedrijven die investeren in de audiovisuele sector via het taxshelterregime in de regel hun boekjaar per kalenderjaar hebben, zou momenteel tot problemen leiden in deze sector. Heel wat vennootschappen en hun raadgevers zijn immers nog steeds de concrete impact van de hervormde vennootschapsbelasting aan het afwachten, waardoor in de praktijk veel raadgevers hun klanten-vennootschappen momenteel aanraden om te wachten met een taxshelterinvestering tot er een duidelijk zicht is op de impact van de hervorming en hun belastbare basis.

Bovendien worden vennootschappen voor het eerst geconfronteerd met de vernieuwde regels inzake voorafbetalingen. Voor veel vennootschappen houdt dit in dat zij hun interne financiële werking moeten heranalyseren, waardoor investeringen zoals in de taxshelter veeleer naar het laatste kwartaal worden verplaatst.

Verschillende producenten en tussenpersonen kampen door deze uitzonderlijke omstandigheid met een tekort aan fondsen om de lopende producties gedurende de eerste twee kwartalen van 2018 te financieren en zij hebben ook negatieve perspectieven voor het derde kwartaal. Dit kan een aanzienlijke negatieve impact hebben voor de sector en kan voor bepaalde kleinere productievennootschappen en tussenpersonen zelfs leiden tot faillissementen.

Kunnen in dit kader de hervorming van de vennootschapsbelasting eind december 2017 en de hieraan gekoppelde wijzigingen als een uitzonderlijke omstandigheid worden beschouwd in de zin van artikel 194ter, §1, lid 5 van het WIB 92, die kan rechtvaardigen dat uitgaven gedaan binnen de zes maanden vóór de ondertekening van de raamovereenkomst, gedurende de eerste drie kwartalen van 2018 als in aanmerking komende uitgaven kunnen worden beschouwd?

Mijnheer de minister, dit is een lange en technische vraag, maar ze is belangrijk voor de betrokken sector.

ANTWOORD (van de minister)

Mijnheer Klaps, de uitgaven die betrekking hebben op de productie en de exploitatie van een bepaald erkend werk en die worden gedaan binnen de zes maanden voor de ondertekening van de raamovereenkomst kunnen in voorkomend geval worden beschouwd als in aanmerking komende uitgaven, voor zover de productievennootschap voldoende verantwoordt waarom die uitgaven moesten worden gedaan voor de ondertekening van de raamovereenkomst.

De bijzondere omstandigheid van de hervorming van de vennootschapsbelasting en de wijzigingen die daarbij werden aangebracht aan de regeling inzake voorafbetaling voor belastbare tijdperken die aanvangen vanaf 1 januari 2018 kunnen, wat betreft de uitgaven gedaan in de eerste drie kwartalen van het boekjaar 2018, als uitzonderlijke omstandigheid worden beschouwd in de zin van artikel 194ter, §1 van het WIB 92. Wat de daaropvolgende kwartalen betreft, zal die verantwoording niet meer worden aanvaard, gelet op het gegeven dat voor de volgende kwartalen de volgende fase van de hervorming van de vennootschapsbelasting voldoende voorzienbaar is.

CONCLUSIE (van de heer Klaps)

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijk antwoord.