Parlementaire vraag nr. 1164 van mevrouw Pieters van 10.12.2002

VRAAG 02/1164

Vraag nr. 1164 van mevrouw Pieters dd. 10.12.2002


Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 159, blz. 20478-20480

Opstellen van processen-verbaal - Bewijskracht

VRAAG

Zowel door de taxatieambtenaren van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit en de Bijzondere Belastinginspectie als door de opsporingsambtenaren verbonden aan de sector directe belastingen worden regelmatig processen-verbaal, opsporings- en verificatieverslagen ter plaatse opgesteld met het oog op latere taxatie-, invorderings-, boete- en strafdoeleinden.

Inzake BTW (zie artikel 59 van het BTW-Wetboek) en inzake douane en accijnzen (zie onder andere de artikelen 176, 267 en 268 AWDA) zijn hieromtrent evenwel precieze wettelijke bepalingen uitgevaardigd.

Naar verluidt zouden op het vlak van de directe belastingen nochtans geen dergelijke gelijklopende strenge wettelijke of reglementaire bepalingen bestaan.

1. De algemene praktische vraag rijst dan ook aan welke voorwaarden en richtlijnen deze "processen-verbaal inzake directe belastingen" allemaal wettelijk, reglementair en administratief gezamenlijk moeten voldoen om in rechte met een bijzondere bewijskracht te kunnen worden aangewend?

2. Welke concrete en bindende instructies werden er ten behoeve van de verbalisanten terzake reeds uitgevaardigd en moeten de bekeurders ter gelegenheid van de visitaties hun actueel aanstellingsbewijs steeds zelf spontaan presenteren aan de belastingplichtigen of belastingschuldigen?

3. Gelden hierbij eveneens tevens de bepalingen van de "wet-Franchimont" zoals ingesteld bij artikel 47 bis van het Wetboek van strafvordering (artikel 8 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek)?

4. Kan u uw huidige algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van alle beginselen van behoorlijk bestuur, de nieuwe klantvriendelijke fiscale cultuur als van de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 ( cf. artikel 319 WIB 1992), het Burgerlijk Wetboek, het Strafwetboek en het Wetboek van strafvordering?

ANTWOORD (07.03.2003)

1. Artikel 300 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) en artikel 176 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 1992) bevatten de wettelijke en reglementaire bepalingen aangaande het proces-verbaal inzake directe belastingen.

Inzake directe belastingen is het proces-verbaal een akte die een overtreding vermeldt waarvan de bevoegde ambtenaar de getuige was of waarvan hij kennis kreeg, alsook de opsporingen die in dat verband werden gedaan.

Dit proces-verbaal moet gedateerd zijn, ondertekend door de verbalisant en voorts melding maken van de naam en de hoedanigheid van de opsteller, de aard van de gedane vaststellingen en van de uitgevoerde onderzoekingen die het bestaan aantonen van het misdrijf en de aard van de begane overtredingen.

De processen-verbaal inzake inkomstenbelastingen zijn uitdrukkelijk van de betekening vrijgesteld.

De wet kent aan de processen-verbaal bewijskracht toe omdat vertrouwen wordt gesteld in de ambtenaren die er de auteurs van zijn. Die akten hebben echter slechts wettelijke bewijskracht indien de verbalisant de feiten persoonlijk heeft vastgesteld.

Aangezien de wet niet zegt dat overeenkomstig artikel 176 KB/WIB 1992 de opgestelde processen-verbaal bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel, hebben die akten slechts de waarde van gewone inlichtingen onderworpen aan de soevereine beoordeling van de rechter.

2 tot 4. De ambtenaren bevoegd voor de directe belastingen hebben krachtens artikel 319, WIB 1992 het recht van vrije toegang tot de beroepslokalen van de belastingplichtigen. Indien nodig dienen de betrokken ambtenaren zich te legitimeren door hun aanstellingsbewijs te tonen, maar zij zijn niet verplicht dit spontaan te doen. De gecontroleerde belastingplichtigen hebben uiteraard het recht om, voorafgaand aan de controle, het aanstellingsbewijs van de controleur te volgen.

De bepalingen van artikel 8 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (gemeenzaam wet-Franchimont genoemd) ingesteld bij artikel 47 bis in het Wetboek van de strafvordering betreffen enkel het opsporingsonderzoek gevoerd in het kader van de strafrechtspleging, en niet het administratief onderzoek gevoerd door de ambtenaren bevoegd voor de directe belastingen.