Parlementaire vraag nr. 11 van mevrouw Nyssens van 08.08.2003

VRAAG 03/011
Vr. en Antw., Senaat, 2003-2004, nr. 3-3, blz. 229-231
Bull. nr. 846, pag. 913-919
Communautair recht - Wijziging van de fiscale wetgeving
VRAAG
Communautair recht. - Toepassing. - Wijziging van de fiscale wetgeving.
In welke gevallen werd België sinds 1995 ertoe gebracht de fiscale wetgeving of de administratieve praktijk op het vlak van fiscaliteit te wijzigen ingevolge verzoeken, gemotiveerde adviezen of bezwaren wegens inbreuk vanwege de Europese Commissie?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op haar vraag van 8 augustus 2003.
België werd sedert januari 1995 genoodzaakt, voor het geheel van de fiscale wetgeving, dertien wijzigingen aan te brengen naar aanleiding van opmerkingen uitgaande van de Europese Commissie of van niet-nakomingsprocedures voor een staat zoals voorzien in artikel 226 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
In zes gevallen werd de wetgeving gewijzigd of aangevuld: inzake BTW-, deze voor reisbureaus, inzake inkomstenbelastingen, deze voor belastingvermindering van het bouwsparen, voor verkeersbelasting, voor de coördinatiecentra en voor bedrijfsvoorheffing, en inzake douane en accijnzen, deze voor kleine wederverkopers van niet alcoholische dranken. In zeven andere gevallen werden er wijzigingen aangebracht aan de administratieve toepassing.
Al die gevallen worden hierna in het kort besproken.
1. Inzake BTW 1.1. Bestemming van een goed voor privé-doeleinden (artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek)
België werd genoodzaakt de administratieve toepassing te wijzigen met betrekking tot de belasting van het privé-gebruik van een tot het bedrijf behorend goed. De Europese Commissie heeft de Belgische aandacht getrokken op een arrest van het Europese Hof van justitie (arrest-G. Mossche van 25 mei 1993).
Volgens de conclusies van dat arrest mogen enkel de werkelijk gedane uitgaven van de belastingplichtige waarvoor een recht op volledige of gedeeltelijke aftrek is uitgeoefend in aanmerking worden genomen. De nieuwe regels terzake werden nader verklaard in de administratieve circulaire van 9 mei 1996.
1.2. Reisbureaus (artikel 20, § 2, 29, § 2, onder andere, van het BTW-Wetboek)
Naar aanleiding van een klacht wegens dubbele belasting door een Belgisch reisbureau neergelegd bij het Europees Parlement, heeft de Europese Commissie dit België verweten in het kader van de niet-nakomingsprocedure voor een staat. België heeft beslist zich te schikken naar het advies uitgebracht door de Europese Commissie. De vereiste wijzigingen hebben het voorwerp uitgemaakt van twee koninklijke besluiten van 28 december 1999, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 31 december 1999, derde editie.
1.3. Prijsverminderingen (artikelen 26 en 28, 2°, van het BTW-Wetboek)
België werd genoodzaakt haar administratieve toepassing te herzien met betrekking tot de vermindering van de maatstaf van heffing ten gevolge van een prijsvermindering. De Europese Commissie had de Belgische aandacht getrokken op een arrest van het Europese Hof van justitie (arrest-Elida Gibbs Limited van 24 oktober 1996) waarin het communautaire recht nader verklaard werd met betrekking tot prijsverminderingen toegekend met behulp van kortingbonnen. Op 27 augustus 1997 werd een administratieve circulaire uitgegeven met de bedoeling de draagwijdte en de gevolgen van dat arrest nader te verklaren.
1.4. Vrijstelling voor advocaten (artikel 44, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek)
BTW-vrijstelling voor diensten verricht door advocaten was volgens de administratieve interpretatie beperkt tot de bij een Belgische balie ingeschreven advocaten. De Commissie heeft Belgie ¨ op 22 oktober 1999 laten weten dat, volgens haar, deze beperking een discriminatoir karakter inhield en schade toebracht aan het vrije verkeer van diensten zoals voorzien in artikel 49 van het Verdrag van de Europese Gemeenschappen. Na onderzoek is er beslist zich te schikken naar dat advies en de draagwijdte van die vrijstelling uit te breiden naar advocaten die ingeschreven zijn bij een balie in een van de vijftien lidstaten. Alle betrokken diensten werden per elektronische post van 28 februari 2000 van deze wijziging op de hoogte gebracht.
1.5. Uitsluiting van het volgrecht uit de maatstaf van heffing van de BTW (artikel 26 en 26bis van het BTW-Wetboek
Artikel 11 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten bepaalt dat de verkoper van een werk van beeldende kunst aan de auteur ervan een onvervreemdbaar volgrecht verschuldigd is dat wordt geïnd op het bedrag van de verkoop bij toewijzing van de werken van beeldende kunst die openbaar geveild worden.
De Europese Commissie heeft België in kennis gesteld dat, volgens haar, vormt het volgrecht niet de tegenprestatie van een levering van een goed of een dienst in de zin van artikel 2 van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 (77/388/EEG). In dit verband is zij van oordeel dat het volgrecht niet onderworpen is aan de BTW en dus in geen enkel geval deel kan uitmaken van de maatstaf van heffing van de BTW bij de verkoop van een oorspronkelijk kunstwerk.
De Belgische administratie heeft beslist zich te schikken naar het standpunt van de Europese Commissie. Bijgevolg werd de beslissing van 20 oktober 1972, nr. ET 12454 (zie BTW-Revue nr. 10, nr. 350, blz. 70-71) herroepen.
2. Inzake inkomstenbelastingen
2.1. Belastingvermindering voor bouwsparen (artikel 145.1, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992)
De bedragen die bestemd zijn voor de aflossing van een hypothecaire lening aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen, geven onder bepaalde voorwaarden recht op een belastingvermindering in de personenbelasting (voor bouwsparen). Een van de vereiste voorwaarden voor de toekenning van die belastingverminderingen was dat de lening in België zou zijn aangegaan. De wetgeving werd op dit punt gewijzigd en er is voortaan bepaald dat de lening aangegaan moet zijn bij een instelling die binnen de Europese Unie is gevestigd. (wet van 21 oktober 1998, die het artikel 145^1, 3°, WIB 1992 wijzigt, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 16 januari 1999).
2.2. Verkeersbelasting op de autovoertuigen (artikelen 9, litt. E, F en G, en 42, § 3, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen)
De Europese Commissie heeft in een richtlijn de minimumaanslagvoeten van de verkeersbelasting vastgesteld per categorie of deelcategorie van voertuigen.
Met de wet van 25 januari 1999 werden deze bepalingen naar Belgisch recht omgezet maar omdat in de nieuw ingevoerde belastingschalen voor sommige voertuigconfiguraties de minimumaanslagvoeten niet werden bereikt heeft de Europese Commissie België op 28 april 2000 in gebreke gesteld.
De wet van 8 april 2002, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 12 april 2002, paste de schalen van de verkeersbelasting aan voor de voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen over de weg aan de Europese regelgeving zowel inzake minima als inzake criteria.
2.3. Belgisch stelsel van de coördinatiecentra
De Commissie heeft in haar beschikking van 17 februari 2003 geoordeeld dat het belastingstelsel dat momenteel in België van kracht is ten voordele van coördinatiecentra die erkend zijn op grond van het koninklijk besluit nr. 187 een staatssteunregeling is die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
Om tegemoet te komen aan de voorstellen van "nuttige maatregelen" die door de Commissie werden opgesteld, werd het stelsel van de coödinatiecentra gewijzigd bij wet van 24 december 2002, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 decmeber 2002, 2e editie.
2.4. Fiscaal rulingstelsel voor Amerikaanse verkoopsvennootschappen ("US Foreign Sales Corporations")
Sedert eind 1984 werden bijzondere belastingregels ingesteld via administratieve beslissingen ten voordele van Amerikaanse verkoopsvennootschappen of inrichtingen daarvan die zich hebben gevestigd als "Foreign Sales Corporation" (FSC). De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in haar beschikking van 24 juni 2003 na een grondig onderzoek dat in april 2002 werd gestart, geoordeeld dat dit stelsel niet in overeenstemming is met de regels van de Europese Unie inzake staatssteun.
Ten gevolge van deze beschikking mag het bijzonder belastingstelsel voor de genoemde FSC niet meer worden toegepast vanaf het eerste belastbaar tijdperk dat aanvangt na 24 juni 2003.
2.5. Bedrijfsvoorheffing - Verminderingen wegens gezinslasten
Het koninklijk besluit van 9 januari 2003 tot wijziging van het KB/WIB 1992, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 februari 2003, heft met ingang van 1 april 2003 de discriminatie op tussen echtgenoten, die bestaat in het stadium van de berekening van de bedrijfsvoorheffing bij de toekenning van de vermindering voor gezinslasten, en die werd gesignaleerd door de Europese Commissie. Het besluit bepaalt onder meer dat wanneer beide echtgenoten beroepsinkomsten verkrijgen, de vermindering voor gezinslasten, behalve die voor de gehandicapte echtgenoot, toegekend aan de door hun aangeduide echtgenoot.
2.6. Belastingvrije som voor kinderlast en aftrek van kosten voor kinderoppas
De Europese Commissie heeft België laten weten dat ze vermoedde dat sommige administratieve bepalingen inzake inkomsstenbelastingen, wat de verhoging van de belastingvrije som voor kinderlast en de aftrek van de kosten voor kinderoppas betreft, in strijd waren met de bepalingen van artikel 13 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.
Ingevolge de circulaire van 10 juni 1999, Ci.RH.331/517.844 en de administratieve werkwijze die eruit voortvloeit, heeft de Europese Commissie een procedure van inbreuk vastgesteld tegen België en heeft twee ingebrekestellingen ingesteld.
Deze actie had de opheffing van de voormelde circulaire en zijn vervanging door de circulaire Ci.RH/311/517.844 van 20 november 2002, tot gevolg. Met die circulaire laat de Belgische fiscale administratie toe dat de echtgenoten, met inbegrip van het geval dat één van hen ambtenaar of beambte is van de Europese Gemeenschap, zelf aanduiden aan wie van hen de kinderlast fiscaal kan worden toegekend.
3. Inzake douane en accijnzen
3.1. Plaats van indiening van aangiften ten uitvoer (artikel 161, § 5, van het Communautair Douanewetboek)
Er werd België op 8 februari 1999 een met redenen omkleed advies toegetuurd voor het niet naleven van de bepalingen van het Communautaire Douanewetboek inzake de aangifte ten uitvoer van goederen. De administratie van de douane en accijnzen heeft haar administratieve instructies aangepast om ze met die bepalingen in overeenstemming te brengen.
3.2. Stelsel van de accijnzen op niet-alcoholische dranken (wet van 13 februari 1995)
Om nogmaals aan een met redenen omkleed advies van de Commissie te voldoen, is het noodzakelijk gebleken een vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten door te voeren voor aankopen die in andere Lidstaten door kleine marktdeelnemers zijn gedaan. De wijziging heeft het voorwerp uitgemaakt van het ministerieel besluit van 10 februari 2000 verschenen in het Belgisch Staatsblad van 23 februari 2000.