Parlementaire vraag nr. 387 van de heer Devlies van 12.05.2004
VRAAG 04/387
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 112, blz. 21079-21080
Spaardeposito's - Schuldenaar roerende voorheffing
VRAAG
Intresten van spaardeposito's worden niet als roerende inkomsten aangemerkt ten belope van de eerste schijf van 1 810 euro (aanslagjaar 2005). Gezien de veelvuldige kortstondige promotiecampagnes zijn spaarders geneigd om meerdere depositorekeningen te openen bij verschillende financiële instellingen om toch enig rendement op hun spaarcenten te halen. Door het aanhouden van verschillende depositorekeningen kan het voorkomen dat per individuele rekening niet boven de grens van 1 810 euro aan intresten wordt ontvangen maar wel geglobaliseerd.
Overeenkomstig artikel 313, eerste lid, 5°, WIB 1992 dient de belastingplichtige deze ontvangen intresten op spaardeposito's boven de eerste schijf van 1 810 euro (aanslagjaar 2005) aan te geven in zoverre de roerende voorheffing niet geheven is op dit meerdere. Bij het vestigen van de aanslag wordt hij hierop getaxeerd aan een tarief van 15 % te verhogen met de gemeentelijke opcentiemen.
De belastingplichtige spaarder kan echter aan zijn financiële instelling schriftelijk laten weten dat de intresten ontvangen op de bij haar aangehouden depositorekening niet de eerste schijf van 1 810 euro intresten uit spaardeposito's zal opbrengen.
1. Is de financiële instelling waarbij dergelijke verklaring wordt afgelegd verplicht 15 % roerende voorheffing van de uitgekeerde intresten in te houden overeenkomstig artikel 261, WIB 1992?
2. Schendt een financiële instelling artikel 261, WIB 1992, wanneer zij dergelijke verklaring ontvangt maar in strijd met dit artikel bedingt geen roerende voorheffing te zullen inhouden?
3. Welke stappen kan de spaarder ondernemen tegen zijn financiële instelling die dergelijke verklaring negeert?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.03.2006)
Vooreerst wens ik de aandacht erop te vestigen dat voor het aanslagjaar 2005 de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 21, 5° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), waarnaar het geachte lid verwijst in zijn vraag 1 520 euro bedraagt.
Bovendien veroorloof ik mij aangaande de problematiek van de fiscale behandeling van de inkomsten van de bedoelde spaardeposito's ten gevolge van de wijziging van artikel 127, WIB 1992 door de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting het geachte lid te verwijzen naar het antwoord dat ik heb verstrekt op de
mondelinge parlementaire vraag nr. 7902 van de heer Bogaert (Commissie voor de Financiën en de Begroting,
Integraal Verslag, Kamer, 2004-2005, 3e zitting van de 51e zittingsperiode, 5 oktober 2005, blz. 5-6) en die de laatste richtlijnen bevat die hieromtrent werden gegeven.
Wat betreft de vraag van het geachte lid kan ik bevestigen dat aan de bank-depositaris kan worden gevraagd dat zij de roerende voorheffing inhoudt op het geheel van de inkomsten die voortvloeien uit een spaardeposito zoals bedoeld in het voormeld artikel 21, 5°, WIB 1992 wanneer deze inkomsten, rekening houdende met andere spaardeposito's, geen betrekking hebben op de eerste schijf van 1 250 euro (te indexeren). Dienaangaande is het aangewezen dat de depositohouder vóór de toekenning van de inkomsten van het bedoelde spaardeposito schriftelijk meedeelt dat die inkomsten interesten vertegenwoordigen die onderworpen moeten worden aan de roerende voorheffing aangezien ze de eerste schijf van 1 250 euro (te indexeren) overschrijden. Bijgevolg is de bank verplicht de roerende voorheffing in te houden met betrekking tot de bedoelde interesten.
Bron: FisconetPlus
