Parlementaire vraag nr. 1112 van mevrouw Pieters van 08.09.2006

Parlementaire vraag nr. 1112 van mevrouw Pieters dd. 08.09.2006

Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 143, blz. 27924-27927

Herkwalificatie van verzekeringspremies tot beleggingen

VRAAG
In hoofdzaak steunende op het arrest van het hof van beroep te Gent van 9 december 2003 en op de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, Brussel en te Antwerpen met betrekking tot taxatie van bedrijfsleidersverzekeringspremies, waarbij de zogenaamde takken «21» en «23» van levensverzekeringen in beleggingscontracten werden geherkwalificeerd, worden door de taxatieambtenaren thans gelijklopend blijkbaar vele andere verzekeringscontracten eveneens geherkwalificeerd tot zuivere beleggingsproducten.
De motivering van zowel dit hof als van die van de rechtbanken, thans verder gevolgd door de onderzoekende belastingambtenaren, is voornamelijk gegrond op de vooropgezette stelling dat een verzekeringscontract een kanscontract is in de zin van artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek en bijgevolg steeds een kans op winst of verlies moet bevatten.
Om reden dat bij het merendeel van de geviseerde levensverzekeringen van het type «groepsverzekering» en van het type «pensioentoezeggingsverzekering» géén minimumkapitaal bij overlijden wordt uitgekeerd en dat elk risico ontbreekt, zijn de belastingambtenaren uit hie¨rarchische overwegingen blijvend van mening dat er geen sprake kan zijn van een kanscontract, zodat het met andere woorden niet gaat om een verzekeringscontract.
Ter zake rijzen dan ook de volgende algemene praktische vragen.
1. Moet iedere levensverzekering (op heden al dan niet nog geregeld door het zeerecht) voortaan voldoen aan de definitie waarvan sprake in artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek en heeft dit artikel van het gemeen recht al dan niet absolute voorrang op artikel 1A van de huidige jongere en gecoördineerde Wet op de landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 ?
2. Kunnen alle betrokken Belgische administraties de herziene zienswijze van het Franse Hof van Cassatie van 23 december 2004 ( www.courdecassation.fr) bijtreden met betrekking tot de ruimere interpretatie van het artikel van het Franse Burgerlijk Wetboek dat identiek is aan het Belgisch artikel ?
3. Op welke wijze, in welke mate en op grond van welke wettelijke en reglementaire bepalingen mogen of moeten die zogezegde bruto- of netto- «spaartegoeden» of «spaarreserves» inzake vennootschapsbelasting bij voorkeur desgevallend worden belast:
a) als een «reservebestanddeel » onderschatting actief in de zin van artikel 24, eerste lid, 4°, WIB 1992 en/ of artikel 361 WIB 1992;
b) als een «verworpen uitgave» op te nemen onder de code nr. 31 vak IV van het aangifteformulier ?
4. Welke nationaal geldende algemene instructies in verband met de benadering op het vlak van de taxatie en op het vlak van de behandeling van de talrijke bezwaarschriften werden of zullen er weldra worden uitgevaardigd aan het adres van de taxatieambtenaren en van de gewestelijk directeurs van alle belastingadministraties ?
5. Is het voortaan effectief de bedoeling van zowel de Belgische en de Europese wetgever als van de regering om de premies van al dergelijke verzekeringscontracten waarbij geen minimumkapitaal bedongen wordt bij overlijden en geen risico voorhanden is, de netto- of brutospaartegoeden fiscaal onmiddellijk te gaan belasten ?
6. Kunt u punt per punt uw huidige algemene ziens- en handelwijze meegeven, inzonderheid zowel onder meer in het licht van de artikelen 1104 en 1964 van het Burgerlijk Wetboek ontstaan uit de Code Napoléon uitgevaardigd op 21 maart 1804 - 30 ventôse jaar XII), het koninklijk besluit van 17 december 1992 betreffende de levensverzekeringsactiviteit, de Europese richtlijnen inzake levensverzekeringen, de artikelen 1.A, 2, 3, 48 en 97 van de Wet van 25 juni 1992 op de landsverzekeringsovereenkomst, de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen, het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit ( Belgisch Staatsblad van 15 november 2003 - errata 23 juli 2004), de wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact ( Belgisch Staatsblad van 30 december 2005, tweede editie) en de adviezen van alle commissies, raden en werkgroepen van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), als in het kader van de bepalingen van de artikelen 21, 1e lid, 4°; 38, § 1, 18 en 19; 49; 52, 3°, b); 59; 171, 4°, f); 183; 185; 195, § 1; 340 en 361 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de artikelen 35 en 63-1 KB/WIB 1992?

ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Justitie, 17.11.2006)
In antwoord op deze vraag, wens ik er op te wijzen dat enkel het eerste en het tweede punt betrekking kunnen hebben op mijn bevoegdheden.
Ik wens er de aandacht op te vestigen dat er inzake de juridische kwalificatie van levensverzekeringsovereenkomsten in de rechtspraak en rechtsleer twee stromingen bestaan. Een eerste tendens benadert de verzekering vanuit de kwalificatie als kanscontract (artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek). De tweede stroming zoekt het beslissende criterium niet in de definitie van kanscontract, maar in het verzekeringsrecht.
Wanneer de eerste opvatting wordt gevolgd bestaat het risico dat een contract niet aan de voorwaarden
Van artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek voldoet en aldus niet als een levensverzekering wordt gekwalificeerd. De tweede visie stelt dat artikel 1964 van het Burgerlijk Wetboek niet op levensverzekeringen van toepassing is daar dit nergens in het verzekeringsrecht zelf wordt voorzien.
Hoewel een aantal bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek aan de basis liggen van deze problematiek, is mijn administratie niet betrokken bij een interpretatie die hieromtrent kan worden gemaakt in een fiscaal of boekhoudkundig kader.
Bovendien komt het finaal enkel aan de hoven en rechtbanken toe om de wet op soevereine wijze te interpreteren en aldus in concrete geschillen te oordelen of een contract al dan niet als een levensverzekeringsovereenkomst kan worden gekwalificeerd.
Gelet op het feit dat de overige aspecten van uw vraag onder de bevoegdheid van mijn collega's vallen die belast zijn met boekhoudkundige en fiscale materies, verwijs ik naar hun respectievelijke antwoorden.