Parlementaire vraag nr. 1808 van de heer Marco Van Hees van 19.12.2023
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2023-2024, QRVA 55/134 d.d. 24.05.2024, blz. 169
Verplaatsing van de maatschappelijke zetel naar het buitenland
VRAAG (van de heer Van Hees)
De centrale diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit (AAFisc) zijn al jaren van oordeel dat de verplaatsing van de maatschappelijke zetel van een Belgische vennootschap naar het buitenland zonder behoud van een vaste inrichting in België aanleiding geeft tot een aan de roerende voorheffing onderworpen dividend voor de aandeelhouders. Daarbij baseert de AAFisc zich op de wettelijke fictie waarbij de verplaatsing van een zetel naar het buitenland gelijkgesteld wordt met een vereffening aan de vennootschapsbelasting (met belasting van de latente meerwaarden op de activa via de exittaks). Bijgevolg is men van oordeel dat er een dividend uitgekeerd wordt aan de aandeelhouders overeenkomstig artikel 18 van het WIB92 met betrekking tot de bepalingen inzake vereffeningen. Bij taxaties door de operationele diensten van de AAFisc en de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) wordt die interpretatie gevolgd.
De Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken is echter al jaren van oordeel dat de verplaatsing van de maatschappelijke zetel van een Belgische vennootschap naar het buitenland zonder behoud van een vaste inrichting in België en uitgevoerd onder het stelsel van juridische en boekhoudkundige continuïteit wel aanleiding geeft tot een exittaks via de vennootschapsbelasting, maar niet tot de uitkering van een belastbaar dividend aan de aandeelhouders.
In een recent vonnis betreffende een dossier dat behandeld werd volgens de interpretatie van de centrale diensten van de AAFisc (vonnis van 3 februari 2023, RC nr. 21/96/ A) heeft de rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant de interpretatie van de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken bevestigd.
1. Hebben uw diensten hoger beroep aangetekend in deze zaak? Zo niet, waarom niet?
2. Hoe verklaart u dat de centrale diensten van de AAFisc en de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken dermate uiteenlopende interpretaties volgen in identieke situaties, temeer daar laatstgenoemde zowel organiek als met toepassing van het protocol dat de centrale diensten die voor de technische interpretatie van de wetgeving instaan en de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken bindt, nog steeds gebonden is aan de doctrinale interpretatie van de technische directies van de algemene administraties?
3. Als minister van Financiën moet u er overeenkomstig de Grondwet over waken dat eenzelfde fiscale materie op een voldoende eenvormige manier door de verschillende diensten van de FOD Financiën geïnterpreteerd wordt. Wat is uw standpunt ter zake?
4. Wat is de mogelijke impact van deze problematiek op de begroting?
ANTWOORD (van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding)
De administratie heeft beroep ingediend tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant van 3 februari 2023.
De dienst voorafgaande beslissingen in fiscale zaken vormt een autonome dienst binnen de FOD Financiën. Alle voorafgaande beslissingen worden gepubliceerd op Fisconetplus. Op dit ogenblik bestaat over de betreffende problematiek geen administratieve circulaire. Er worden evenwel sedert vele jaren talrijke gemotiveerde voorafgaande beslissingen afgeleverd en gepubliceerd met betrekking tot de gestelde problematiek waarin bevestigd wordt op welke wijze mijn administratie deze problematiek benadert.
Het geachte lid kan in dit kader ook gewezen worden op de voorbereidende werken bij de programmawet van 3 augustus 2016 en meer specifiek met betrekking tot de gereglementeerde vastgoedvennootschappen en gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen. Deze werken vermelden immers dat er onenigheid bestond of de liquidatiebonus voortkomend uit de fictieve vereffeningen overeenkomstig de artikelen 208, 209 en 210, § 1, 5° en 6°, WIB 92, aan roerende voorheffing onderworpen moet worden of dat ze eerder als een nieuwe fictie en bijgevolg niet als een belastbaar feit kan worden beschouwd. De wetgever oordeelde toen dat aangezien er geen werkelijke uitkering plaats vindt, het inderdaad te verdedigen valt de tweede visie te volgen en werd die visie bestendigd via een formele vrijstelling. Het is ook die zienswijze die sedert vele jaren wordt gehanteerd door de dienst voorafgaande beslissingen met betrekking tot zetelverplaatsingen.
Bij de verdere analyse en het onderzoek van de invoering van fiscale neutraliteit voor nieuwe operaties die gelijkgesteld worden met een fusie of splitsing, zal ik mijn administratie om voorstellen vragen die erop gericht zijn een coherent juridisch kader te creëren voor de operaties bedoeld in artikel 210, WIB 92.
Het vonnis waarnaar het geachte lid verwijst heeft betrekking op een individueel dossier waardoor er geen uitspraak over gedaan kan worden. Het protocol waarnaar wordt verwezen in de vraag voorziet een overleg in het geval een voorafgaande beslissing betwist zou worden en dat was in het concrete geval niet het geval.
Mijn administratie is niet in staat om de budgettaire impact van deze problematiek te becijferen.
