Parlementaire vraag nr. 778 van de heer Willem-Frederik Schiltz van 17.02.2014
Parlementaire vraag nr. 778 van de heer Willem-Frederik Schiltz dd. 17.02.2014
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/156 dd. 14.04.2014, blz. 100
Inkomstenbelastingen. - Vennootschappen. - Afzonderlijke dividendbelasting
VRAAG (van de heer Schiltz)
Het recent ingevoerde artikel 219ter Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ("WIB 1992") voorziet in een afzonderlijke dividendbelasting van 5% (de zogenaamde "fairness tax"). Deze afzonderlijke belasting is van toepassing indien een vennootschap dividenden uitkeert die niet effectief belast worden in de vennootschapsbelasting wegens de toepassing van de aftrek voor risicokapitaal van het boekjaar zelf of de aftrek van overgedragen verliezen. Artikel 233, derde lid WIB 1992 voert deze belasting ook in inzake de belasting der niet-inwoners. Inzake de belasting der niet-inwoners wordt de afzonderlijke dividendbelasting echter veroorzaakt doordat de buitenlandse vennootschap een dividend uitkeert. Daarbij zal dit dividend geacht worden uit het resultaat van de Belgische vaste inrichting voort te komen in de verhouding die het boekhoudkundig resultaat van de Belgische vaste inrichting tot het boekhoudkundig resultaat van de gehele buitenlandse vennootschap. Hierdoor komt het voor dat buitenlandse vennootschappen, gevestigd binnen de Europese Unie, inzake de toepassing van de aanvullende dividendbelasting verschillend zullen behandeld worden naargelang zij beslissen om hun economische activiteiten in België door middel van een afzonderlijke Belgische dochtervennootschap dan wel een Belgische vaste inrichting te ontwikkelen. Meer bepaald zal een vennootschap, gevestigd binnen de Europese Unie, en die haar economische activiteiten in België door middel van een afzonderlijke Belgische dochtervennootschap ontwikkelt, enkel geconfronteerd worden met de aanvullende dividendbelasting (dochtervennootschap) indien uit de resultaten van de Belgische dochtervennootschap een dividend wordt uitgekeerd. Dergelijke dividenduitkering zal enkel beïnvloed worden door de resultaten van en beslissingen genomen door de Belgische dochtervennootschap. Echter, indien een vennootschap, gevestigd binnen de Europese Unie, haar economische activiteiten in België door middel van een Belgische vaste inrichting ontplooit, zal een dividenduitkering mede beïnvloed worden door de resultaten van en de beslissingen inzake de activiteiten van de vennootschap die zich niet in België afspelen en met andere woorden geen deel uitmaken van de onderneming die door de Belgische vaste inrichting wordt gevoerd. Dit lijkt tegen de vrijheid van vestiging in te druisen, zoals omschreven in artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Daarnaast stelt zich de vraag hoe het "boekhoudkundig resultaat" van een Belgische vaste inrichting moet bepaald worden indien deze vaste inrichting niet aan de Belgische boekhoudwetgeving is onderworpen.
1. Kan u meedelen welke motieven de ongelijke behandeling van een Belgische vaste inrichting in vergelijking met een Belgische vennootschap rechtvaardigen en dus zouden moeten verantwoorden waarom de aanvullende dividendbelasting geen inbreuk uitmaakt op de vrijheid van vestiging zoals omschreven in artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie?
2. Hoe moet het "boekhoudkundig resultaat" bepaald worden van een in België belastbare vaste inrichting indien deze niet aan de Belgische boekhoudwetgeving is onderworpen?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1. Er is sprake van discriminatie wanneer verschillende regels worden toegepast op vergelijkbare situaties of wanneer dezelfde regels worden toegepast op verschillende situaties. Aangezien vaste inrichtingen geen afzonderlijke rechtspersonen zijn, is hun situatie, voor wat betreft de toepassing van de Fairness Tax, niet vergelijkbaar met die van Belgische dochtervennootschappen van buitenlandse vennootschappen. Bijgevolg vormt de in artikel 233, derde lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), vermelde wijze van vaststelling van de grondslag van de Fairness Tax in de belasting van niet-inwoners, in principe geen discriminatie, dit wil zeggen geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van een Belgische vaste inrichting van een buitenlandse vennootschap in vergelijking met een Belgische vennootschap.
2. In de door het geachte lid beoogde geval moet voor de toepassing van artikel 233, derde lid, WIB 92, het boekhoudkundig resultaat van de in België belastbare vaste inrichting worden bepaald aan de hand van bewijskrachtige gegevens die toelaten om de grondslag van de Fairness Tax te bepalen, zoals bijvoorbeeld de door de buitenlandse vennootschap gevoerde boekhouding.
