Parlementaire vraag nr. 1577 van de heer Jef Van den Bergh van 27.03.2017
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/130 dd. 11.09.2017, blz. 330
Voetbalclubs
VRAAG (van de heer Van den Bergh)
We worden geconfronteerd met meer en meer berichten over buitenlandse investeerders die onze Belgische voetbalclubs komen overnemen. Zij vinden hun gading in de amateurreeksen, maar ook in eerste klasse B en zelfs in 1A. De investeerders worden onder meer aangetrokken dooronze soepele wetgeving met betrekking tot minimumlonen, met betrekking tot het opstellen van niet-EU-spelers, en de aantrekkelijke fiscale regeling met de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. Zo kwam Patro Maasmechelen enkele maanden geleden in handen van Wayne Woo en zijn Brits-Chinese investeringsgroep GSDP. Enkele weken geleden kwam er een bodvan de Russische eigenaar van AS Monaco op Cercle Brugge. Ook Oud-Heverlee, Roeselare en Kortrijk zijn gelinkt aan Aziatische investeerders. We zien dus dat de Belgische voetbalmarkt zéér interessant is om niet-EU-spelers, die in de rest van Europa moeilijker aan de bak komen, te plaatsen. Het gaat wellicht om méér dan enkel het minimumloon voor niet-EU-spelers, maar dat lage minimumloon speelt zeker een belangrijke rol. Ter vergelijking, het minimumloon in België bedraagt 78.400 euro bruto, terwijl dit in Nederland, boven 20 jaar 395.000 euro bedraagt of 150 % van het gemiddelde salaris in de eredivisie en voor 18 tot 19 jaar 197.000 euro of 75 % van het gemiddelde loon. We mogen ook de impact van de fiscale gunstmaatregel en het RSZ-plafond voor sportclubs niet vergeten. De gewijzigde fiscale wetgeving voor sportbeoefenaars, die sinds 2008 in voege is en waarbij de club-werkgever 80 % van de door te storten bedrijfsvoorheffing recupereert voor lonen aan spelers ouder dan 26 jaar, is er juist gekomen met de motivering dat de jeugd te weinig kansen kreeg en dat het aantal buitenlanders op onze sportvelden zou teruggedrongen moeten worden. Dit leek een aantal jaren het gewenste resultaat op te leveren, met de ontbolstering van vele Belgische talenten als kers op de taart, maar de jongste jaren stellen verschillende studies (CIES) in het voetbal vast dat het aantal buitenlanders alleen maar toeneemt (+50 %). Ondertussen zijn we één van de landen met het minst aantal speelminuten voor eigen opgeleide jeugdspelers in de hoogste klasse.
1. Kan u verduidelijken of u zicht heeft op de impact vanbovenstaande fiscale maatregelen voor sportclubs en in hoeverre dit strookt met de ratio legis van de indertijd ingevoerde maatregel? Zo ja, wat zijn uw conclusies en mogelijke aanbevelingen?
2. Bent u akkoord met bovenstaande zienswijze dat onze Belgische voetbalclubs gegeerd wild zijn bij buitenlandse investeerders om niet-EU-spelers in onder te brengen, op te leiden en dan door te verkopen met winst aan grote clubs, waarbij de opleidings- en speelkansen van onze eigen jeugd ondermijnd wordt? Zo neen, waarom dan niet?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1. Met betrekking tot het sportbeleid van de Belgische voetbalclubs zijn inderdaad in het verleden fiscale maatregelen genomen ondermeer op vlak van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing In dat verband kan ik u de gevraagde gegevens bezorgen omtrent de omvang van het effect van deze maatregel. Er kan echter geen omdeling gemaakt worden van de vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing in de verschillende sporttakken en evenmin kon er geen opdeling gemaakt werd tussen spelers van binnen en buiten de Europese Unie. De onderstaande tabel biedt een overzicht van de gegevens met betrekking tot de gedeeltelijke vrijstellingen van doorstorting inzake de bedrijfsvoorheffing van de sportbeoefenaars en sportbeoefenaars "niet-inwoners" en dit voor de jaren 2014, 2015 en 2016. De cijfers zijn opgesplitst per categorie van vrijstelling van sportbeoefenaars zoals ze zijn opgenomen in het wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 1992). Er dient aangestipt dat de gegevens voor het jaar 2016 nog voorlopig zijn. Pas tegen begin 2018 zullen de definitieve cijfers voor 2016 beschikbaar zijn gezien er nog laattijdig aangiften tot dan kunnen worden ingediend.
| Artikel WIB | Beschrijving | 2014 | 2015 | 2016 |
| 2756, 1e lid | Sportbeoefenaar | -26 301 028,19 | - 31 911 297,48 | - 32 884 448,86 |
| 2756, 2e lid | Sportbeoefenaar | - 34 490 286,41 | -35 967 042,99 | - 38 719 512,34 |
| 2756, 1e en 7e lid | Sportbeoefenaar - niet-inwoner | - 55 827,99 | - 71 990,07 | - 83 495,59 |
| 276, 2e et 7e lid | Sportbeoefenaar - niet-inwoner | - 64 829,07 | - 183 954,42 | - 197 827,83 |
2. Op basis van de beperkte gegevens lijkt het mij voorbarig hier conclusies uit te trekken. Temeer daar een groot aandeel van de vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing betrekking heeft op spelers ouder dan 26 jaar. Het sportbeleid is een bevoegdheid van de Gewesten.
