Parlementaire vraag nr. 92 van de heer Eerdekens van 29.04.2008
Parlementaire vraag nr. 92 van de heer Eerdekens dd. 29.04.2008
Vragen en Antwoorden, Kamer, 2007-2008, nr. 017, blz. 2911-2912
Pensioentoezegging - Interne voorziening - Belastingtarief
VRAAG
Artikel 8 van de richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever werd omgezet in Belgisch recht bij artikel 5, § 3, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, dat bepaalt dat «de uitvoering van een pensioentoezegging wordt toevertrouwd aan een pensioeninstelling.»
Kapitalen die voortvloeien uit individuele of collectieve externe pensioentoezeggingen zoals bedoeld in de wet, zijn belastbaar hetzij tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 10 procent op grond van artikel 171, 2) b) van het WIB 1992, hetzij tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 16,5 procent op grond van artikel 171, 4° f) van het WIB 1992.
Kapitalen die daarentegen aan een loontrekkende werden uitgekeerd ingevolge een pensioentoezegging die na 1 januari 2004 werd gedaan en die middels interne provisies in hoofde van de werkgever werd gefinancierd, zijn belastbaar hetzij tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 33 procent op grond van artikel 171, 1° h) van het WIB 1992, hetzij tegen een progressief tarief indien ze niet zijn vereffend onder de voorwaarden zoals bepaald bij artikel 171, 1°, h) van het WIB 1992.
In de Belgische belastingwetgeving zijn gunstige fiscale maatregelen (belasting tegen een afzonderlijke aanslagvoet van 10 of 16,5 %) dus voorbehouden aan zogenaamde «geëxternaliseerde» pensioenen, d.w. kapitalen die zijn gevormd door stortingen aan gecontroleerde ondernemingen.
In Duitsland daarentegen zijn door interne provisies gefinancierde pensioentoezeggingen wettelijk, voor zover ze door een solvabiliteitsverzekering van de werkgever worden gewaarborgd.
Hoewel die bescherming in het licht van voornoemde richtlijn voldoende wordt geacht, voldoet het Duitse stelsel niet aan de voorwaarde inzake externalisering die door de Belgische belastingwetgeving voor de toepassing van de gunstige aanslagvoeten van 10 en 16,5 procent wordt vooropgesteld.
Daardoor wordt het Duitse pensioen dat een Belgische ingezetene uit hoofde van een beroepsloopbaan in Duitsland en in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn ontvangt, zwaarder belast (afzonderlijke aanslagvoet van 33 % of progressief tarief) dan een pensioen van Belgische oorsprong (afzonderlijke aanslagvoet van 10 of 16,5 %) dat evengoed in overeenstemming is met de richtlijn maar anders is georganiseerd.
De Belgische belastingwetgeving bepaalt dat de uitgekeerde pensioenen met het enige in België erkende stelsel, meer bepaald dat van de « geëxternaliseerde» kapitalisatie, moeten overeenstemmen. Dat geeft ontegenzeglijk aanleiding tot discriminatie die niet alleen tegen het Europees recht indruist maar ook het vrije verkeer van werknemers in de Europese Unie belemmert.
Moet men ervan uitgaan dat de artikelen 171, 2° b) en 4° f) van het WIB 1992, waarin wordt bepaald dat de kapitalen door bijdragen moeten zijn gevormd, tot gevolg hebben dat pensioenen die hun oorsprong vinden in een andere Europese lidstaat en die op een ander stelsel dan dat van de externalisering zijn gestoeld maar die wel aan de voorwaarden van de richtlijn voldoen, van de gunstige aanslagvoeten van 10 en 16,5 % zijn uitgesloten ?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen, 06.05.2008)
Zoals het geachte lid zelf vaststelt, zijn de kapitalen die aan een werknemer worden uitgekeerd in uitvoering van een pensioentoezegging gesloten vanaf 1 januari 2004 en gefinancierd met interne voorzieningen binnen de onderneming waarin de werknemer is tewerkgesteld, belastbaar tegen ofwel het afzonderlijk tarief van 33 % ofwel het progressieve tarief.
Deze fiscale behandeling vloeit voort uit de bepalingen ingevoerd in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 door de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid.
Het feit dat de kapitalen worden gewaarborgd door een verzekering « insolvabiliteit » van de werkgever, is zonder belang en maakt het niet mogelijk om van de wet af te wijken.
