Parlementaire vraag nr. 678 van de heer de Clippele van 13.09.1993
VRAAG 93/678
Bull. nr. 738, pag. 1115
Afzonderlijk belastbare meerwaarde - Gespreide belasting - Stopzettingsmeerwaarde - Verwezenlijkte meerwaarde - Vrijgestelde meerwaarde - Vrijstellingsvoorwaarde - Monetaire meerwaarde
VRAAG
Welk personenbelastingstelsel is in de huidige wetgeving (aanslagjaar 1994) van toepassing op de meerwaarde die een handelaar verwerft door een magazijn dat hij meer dan 5 jaar eerder voor opslagruimte bij zijn bedrijf had bestemd (en gedeeltelijk heeft afgeschreven), onderhands te verkopen ?
ANTWOORD
Ik neem aan dat het geacht lid met "opslagplaats" het gebouw of de loods bedoelt waarin de ondernemer gedurende een bepaalde periode zijn materialen of koopwaar opslaat, met andere woorden een gebouwd onroerend goed.
In dat geval moet onderscheid worden gemaakt tussen de volgende hypotheses.
Eerste hypothese : de meerwaarde is verwezenlijkt tijdens de uitoefening van de beroepswerkzaamheid.
Overeenkomstig artikel 171, 4°, a), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is de meerwaarde verwezenlijkt op het goed dat op het tijdstip van zijn vervreemding sedert meer dan 5 jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid wordt gebruikt, afzonderlijk belastbaar tegen 16,5 % (tenzij de samenstelling van alle inkomsten voordeliger is).
De belastingplichtige kan echter kiezen voor het in artikel 47, § 1, van het voormelde wetboek bedoelde stelsel van gespreide belasting; alsdan is de meerwaarde begrepen in de gezamenlijk belastbare winst van het belastbare tijdperk waarin de herbelegde goederen zijn verkregen of tot stand gebracht en van ieder volgend belastbare tijdperk, en zulks naar verhouding tot de afschrijvingen op die goederen.
Tweede hypothese : de meerwaarde is verwezenlijkt naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige.
Overeenkomstig voorgenoemd artikel 171, 4°, a), is de meerwaarde eveneens afzonderlijk belastbaar tegen 16,5 %, en dit ongeacht de duur dat het goed voor de uitoefening van het beroep werd gebruikt.
De meerwaarde wordt evenwel vrijgesteld wanneer de beroepswerkzaamheid wordt voortgezet door de echtgenoot of door één of meer erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte lijn (cf. artikel 46, § 1, 1°, van voormeld wetboek).
In beide hypotheses kan het monetaire gedeelte van de meerwaarde worden vrijgesteld op grond van artikel 44, § 1, 2°, van hetzelfde wetboek (in de veronderstelling dat het goed voor 1 januari 1950 werd verworven).
Bron: FisconetPlus
