Parlementaire vraag nr. 557 van de heer Borginon van 09.09.1996
VRAAG 96/557
Vraag nr. 557 van de heer Borginon dd. 09.09.1996
Bull. nr. 767, pag. 91
Vr. en Antw., Kamer, nr. 54, 1996-1997, blz. 7266-7268
Maaltijdcheques. - Fiscaal regime.
In haar antwoord op de vraag nr. 166 van 8 mei 1996 van volksvertegenwoordiger Dallons over maaltijdcheques herinnert de minister van Tewerkstelling en Arbeid eraan dat "de reden waarom de maaltijdcheques gecreëerd werden voortvloeit uit de toepassing van een bepaling uit het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming die de verplichting ten laste van de werkgever voorziet om een refter ter beschikking van het personeel te stellen dat de maaltijden op de werkplaats wenst te gebruiken". Op maaltijdcheques wordt een beroep gedaan door werkgevers die aan deze verplichting niet kunnen voldoen omdat de onderneming over geen refter beschikt (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1995-1996, nr. 38, blz. 4961).
Uw collega komt dus vrij duidelijk tot het besluit dat de maaltijdcheques een alternatief zijn voor de maaltijden op de werkplaats.
Toch meen ik te weten dat het fiscaal regime van de maaltijden op de werkplaats verschilt van dat van de maaltijdcheques. Vooral dan in hoofde van de werkgever. Als een werknemer voor een maaltijd op de werkplaats 44 frank betaalt, zijn de kosten van de maaltijd in hoofde van de werkgever volledig aftrekbaar. Als een werknemer voor een maaltijdcheque een bijdrage betaalt van 44 frank, zijn de kosten van de maaltijdcheque in hoofde van de werkgever daarentegen niet aftrekbaar.
Is het, in het licht van het antwoord van de minister van Tewerkstelling en Arbeid, niet logisch dat het fiscaal regime van de maaltijden op de werkplaats en dat van de maaltijdcheques eenvormig gemaakt wordt ?
ANTWOORD
Met betrekking tot de door het geacht lid gestelde vraag, die er in essentie toe strekt een antwoord te vinden op de vraag waarom de regeling inzake de aftrekbaarheid van kosten verbonden aan het gratis of tegen verminderde prijs verstrekken van sociale hoofdmaaltijden aan het personeel verschillend is van die welke geldt voor kosten die verbonden zijn aan het verstrekken van maaltijd- of restaurantcheques, kan het volgende worden medegedeeld.
Vooreerst bepaalt artikel 53, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) dat niet als beroepskosten worden aangemerkt: "sociale voordelen die zijn toegekend aan werknemers, gewezen werknemers of hun rechtverkrijgenden en ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, 11°, WIB 92".
Krachtens de uitdrukkelijke bewoordingen van die bepaling kunnen de ten name van de verkrijgers ingevolge artikel 38, 11°, WIB 92 vrijgestelde sociale voordelen dus niet als beroepskosten worden aangemerkt.
De hiernavolgende beschouwingen zijn dan ook beperkt tot de gevallen waarin het om dergelijke vrijgestelde voordelen gaat (indien het om belastbare voordelen gaat, zijn de desbetreffende kosten, mits naleving van de voorschriften van artikel 57, WIB 92, immers als beroepskosten aftrekbaar).
I. Voordelen voortvloeiend uit het (kosteloos of tegen verminderde prijs) verstrekken van sociale hoofdmaaltijden
Gelet onder meer op het bepaalde in artikel 38, 11°, a), WIB 92 (zijn vrijgesteld: de door werknemers ... verkregen voordelen waarvoor het wegens de wijze van toekenning niet mogelijk is het door iedere verkrijger werkelijk verkregen bedrag vast te stellen), worden de voordelen die voor de werknemer voortvloeien uit het gratis of tegen verminderde prijs verkrijgen van een sociale hoofdmaaltijd bij zijn werkgever, steeds als vrijgestelde sociale voordelen in de zin van artikel 38, 11°, WIB 92 beschouwd.
In dergelijke geval is het immers niet mogelijk met zekerheid de waarde van het voordeel te becijferen. De echte kostprijs van de verstrekte maaltijden zal trouwens van dag tot dag verschillen, inzonderheid gelet enerzijds op de opgediende spijzen en anderzijds op het aantal maaltijden.
Wat nu de aftrekbaarheid als beroepskosten betreft, moet op grond van artikel 53, 14°, WIB 92, waarin uitsluitend sprake is van de sociale voordelen zelf, uit de beroepskosten alleen dat deel worden geweerd dat overeenstemt met de werkelijke waarde van het voordeel dat bij de verkrijger in beginsel belastbaar is krachtens artikel 36, WIB 92, doch op grond van artikel 38, 11°, WIB 92 als sociaal voordeel wordt vrijgesteld.
Daar, zoals hierboven reeds is aangestipt, de werkelijke waarde van het voordeel in hoofde van de verkrijger niet kan worden vastgesteld, wordt de waarde ervan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, tweede lid, WIB 92 en artikel 18, § 3, punt 8, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92), vastgesteld op 44 frank per maaltijd.
Dit houdt in dat indien de werknemer 44 frank, of meer, bijdraagt in de kosten van de maaltijd, zijn persoonlijke besparing geacht wordt gelijk te zijn aan nul, zodat de ermede verband houdende kosten van de werkgever volledig aftrekbaar zijn.
Betaalt de werknemer daarentegen minder dan 44 frank per maaltijd, dan wordt zijn persoonlijke besparing geacht gelijk te zijn aan het verschil tussen 44 frank en zijn bijdrage, bedrag dat alsdan bij de werkgever als beroepskost te verwerpen is.
II. Voordelen voortvloeiend uit het verkrijgen van maaltijd- of restaurantcheques
In tegenstelling tot de kosteloos of tegen verminderde prijs verstrekte sociale hoofdmaaltijden, kunnen de uit de toegekende maaltijd- of restaurantcheques voortvloeiende voordelen, wegens mogelijk oneigenlijk gebruik van de cheques, in hoofde van de werknemer niet zonder meer als vrijgestelde sociale voordelen in de zin van artikel 38, 11°, WIB 92 worden aangemerkt.
In elk geval afzonderlijk moet dus eerst en vooral, conform de richtlijnen ter zake, worden uitgemaakt of het om vrijgestelde dan wel om belastbare voordelen gaat.
Wanneer het om belastbare voordelen gaat zijn de erop betrekking hebbende kosten, mits naleving van de voorschriften van artikel 57, WIB 92, uiteraard beroepskosten voor de werkgever.
Gaat het daarentegen om vrijgestelde sociale voordelen, dan gelden in principe dezelfde regels als die welke in de rubriek I hiervoor zijn uiteengezet met betrekking tot de sociale hoofdmaaltijden, met dit verschil dat, gelet op het feit dat de waarde van het sociaal voordeel bij de verkrijger hier gekend is en voor dat bedrag veelal te gelde wordt gemaakt, het in aanmerking te nemen sociaal voordeel dat is welk overeenstemt met de werkelijke waarde bij de verkrijger (cf. artikel 36, eerste lid, WIB 92); de bepalingen van artikel 36, tweede lid, WIB 92 en artikel 18, KB/WIB 92 (forfaitaire raming van het voordeel) zijn hier dus niet van toepassing.
Wat de aftrekbaarheid als beroepskosten betreft, moet dus, juist zoals inzake sociale hoofdmaaltijden, op grond van artikel 53, 14°, WIB 92, uit de beroepskosten alleen dat deel worden geweerd dat overeenstemt met de werkelijke waarde van het voordeel dat bij de verkrijger in beginsel belastbaar is krachtens artikel 26, WIB 92, doch op grond van artikel 38, 11°, WIB 92 als sociaal voordeel wordt vrijgesteld.
Daar, zoals hiervoor reeds aangehaald, de werkelijke waarde van het voordeel bij de werknemer in de hier bedoelde gevallen gekend is, namelijk het verschil tussen de nominale waarde van de cheque (bijvoorbeeld 175 frank) en de persoonlijke bijdrage van de werknemer (bijvoorbeeld 75 frank), moet datzelfde voordeel (in het voorbeeld dus 100 frank) uit de beroepskosten van de werkgever worden geweerd.
Vraag nr. 557 van de heer Borginon dd. 09.09.1996
Bull. nr. 767, pag. 91
Vr. en Antw., Kamer, nr. 54, 1996-1997, blz. 7266-7268
Maaltijdcheques. - Fiscaal regime.
In haar antwoord op de vraag nr. 166 van 8 mei 1996 van volksvertegenwoordiger Dallons over maaltijdcheques herinnert de minister van Tewerkstelling en Arbeid eraan dat "de reden waarom de maaltijdcheques gecreëerd werden voortvloeit uit de toepassing van een bepaling uit het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming die de verplichting ten laste van de werkgever voorziet om een refter ter beschikking van het personeel te stellen dat de maaltijden op de werkplaats wenst te gebruiken". Op maaltijdcheques wordt een beroep gedaan door werkgevers die aan deze verplichting niet kunnen voldoen omdat de onderneming over geen refter beschikt (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1995-1996, nr. 38, blz. 4961).
Uw collega komt dus vrij duidelijk tot het besluit dat de maaltijdcheques een alternatief zijn voor de maaltijden op de werkplaats.
Toch meen ik te weten dat het fiscaal regime van de maaltijden op de werkplaats verschilt van dat van de maaltijdcheques. Vooral dan in hoofde van de werkgever. Als een werknemer voor een maaltijd op de werkplaats 44 frank betaalt, zijn de kosten van de maaltijd in hoofde van de werkgever volledig aftrekbaar. Als een werknemer voor een maaltijdcheque een bijdrage betaalt van 44 frank, zijn de kosten van de maaltijdcheque in hoofde van de werkgever daarentegen niet aftrekbaar.
Is het, in het licht van het antwoord van de minister van Tewerkstelling en Arbeid, niet logisch dat het fiscaal regime van de maaltijden op de werkplaats en dat van de maaltijdcheques eenvormig gemaakt wordt ?
ANTWOORD
Met betrekking tot de door het geacht lid gestelde vraag, die er in essentie toe strekt een antwoord te vinden op de vraag waarom de regeling inzake de aftrekbaarheid van kosten verbonden aan het gratis of tegen verminderde prijs verstrekken van sociale hoofdmaaltijden aan het personeel verschillend is van die welke geldt voor kosten die verbonden zijn aan het verstrekken van maaltijd- of restaurantcheques, kan het volgende worden medegedeeld.
Vooreerst bepaalt artikel 53, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) dat niet als beroepskosten worden aangemerkt: "sociale voordelen die zijn toegekend aan werknemers, gewezen werknemers of hun rechtverkrijgenden en ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, 11°, WIB 92".
Krachtens de uitdrukkelijke bewoordingen van die bepaling kunnen de ten name van de verkrijgers ingevolge artikel 38, 11°, WIB 92 vrijgestelde sociale voordelen dus niet als beroepskosten worden aangemerkt.
De hiernavolgende beschouwingen zijn dan ook beperkt tot de gevallen waarin het om dergelijke vrijgestelde voordelen gaat (indien het om belastbare voordelen gaat, zijn de desbetreffende kosten, mits naleving van de voorschriften van artikel 57, WIB 92, immers als beroepskosten aftrekbaar).
I. Voordelen voortvloeiend uit het (kosteloos of tegen verminderde prijs) verstrekken van sociale hoofdmaaltijden
Gelet onder meer op het bepaalde in artikel 38, 11°, a), WIB 92 (zijn vrijgesteld: de door werknemers ... verkregen voordelen waarvoor het wegens de wijze van toekenning niet mogelijk is het door iedere verkrijger werkelijk verkregen bedrag vast te stellen), worden de voordelen die voor de werknemer voortvloeien uit het gratis of tegen verminderde prijs verkrijgen van een sociale hoofdmaaltijd bij zijn werkgever, steeds als vrijgestelde sociale voordelen in de zin van artikel 38, 11°, WIB 92 beschouwd.
In dergelijke geval is het immers niet mogelijk met zekerheid de waarde van het voordeel te becijferen. De echte kostprijs van de verstrekte maaltijden zal trouwens van dag tot dag verschillen, inzonderheid gelet enerzijds op de opgediende spijzen en anderzijds op het aantal maaltijden.
Wat nu de aftrekbaarheid als beroepskosten betreft, moet op grond van artikel 53, 14°, WIB 92, waarin uitsluitend sprake is van de sociale voordelen zelf, uit de beroepskosten alleen dat deel worden geweerd dat overeenstemt met de werkelijke waarde van het voordeel dat bij de verkrijger in beginsel belastbaar is krachtens artikel 36, WIB 92, doch op grond van artikel 38, 11°, WIB 92 als sociaal voordeel wordt vrijgesteld.
Daar, zoals hierboven reeds is aangestipt, de werkelijke waarde van het voordeel in hoofde van de verkrijger niet kan worden vastgesteld, wordt de waarde ervan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, tweede lid, WIB 92 en artikel 18, § 3, punt 8, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92), vastgesteld op 44 frank per maaltijd.
Dit houdt in dat indien de werknemer 44 frank, of meer, bijdraagt in de kosten van de maaltijd, zijn persoonlijke besparing geacht wordt gelijk te zijn aan nul, zodat de ermede verband houdende kosten van de werkgever volledig aftrekbaar zijn.
Betaalt de werknemer daarentegen minder dan 44 frank per maaltijd, dan wordt zijn persoonlijke besparing geacht gelijk te zijn aan het verschil tussen 44 frank en zijn bijdrage, bedrag dat alsdan bij de werkgever als beroepskost te verwerpen is.
II. Voordelen voortvloeiend uit het verkrijgen van maaltijd- of restaurantcheques
In tegenstelling tot de kosteloos of tegen verminderde prijs verstrekte sociale hoofdmaaltijden, kunnen de uit de toegekende maaltijd- of restaurantcheques voortvloeiende voordelen, wegens mogelijk oneigenlijk gebruik van de cheques, in hoofde van de werknemer niet zonder meer als vrijgestelde sociale voordelen in de zin van artikel 38, 11°, WIB 92 worden aangemerkt.
In elk geval afzonderlijk moet dus eerst en vooral, conform de richtlijnen ter zake, worden uitgemaakt of het om vrijgestelde dan wel om belastbare voordelen gaat.
Wanneer het om belastbare voordelen gaat zijn de erop betrekking hebbende kosten, mits naleving van de voorschriften van artikel 57, WIB 92, uiteraard beroepskosten voor de werkgever.
Gaat het daarentegen om vrijgestelde sociale voordelen, dan gelden in principe dezelfde regels als die welke in de rubriek I hiervoor zijn uiteengezet met betrekking tot de sociale hoofdmaaltijden, met dit verschil dat, gelet op het feit dat de waarde van het sociaal voordeel bij de verkrijger hier gekend is en voor dat bedrag veelal te gelde wordt gemaakt, het in aanmerking te nemen sociaal voordeel dat is welk overeenstemt met de werkelijke waarde bij de verkrijger (cf. artikel 36, eerste lid, WIB 92); de bepalingen van artikel 36, tweede lid, WIB 92 en artikel 18, KB/WIB 92 (forfaitaire raming van het voordeel) zijn hier dus niet van toepassing.
Wat de aftrekbaarheid als beroepskosten betreft, moet dus, juist zoals inzake sociale hoofdmaaltijden, op grond van artikel 53, 14°, WIB 92, uit de beroepskosten alleen dat deel worden geweerd dat overeenstemt met de werkelijke waarde van het voordeel dat bij de verkrijger in beginsel belastbaar is krachtens artikel 26, WIB 92, doch op grond van artikel 38, 11°, WIB 92 als sociaal voordeel wordt vrijgesteld.
Daar, zoals hiervoor reeds aangehaald, de werkelijke waarde van het voordeel bij de werknemer in de hier bedoelde gevallen gekend is, namelijk het verschil tussen de nominale waarde van de cheque (bijvoorbeeld 175 frank) en de persoonlijke bijdrage van de werknemer (bijvoorbeeld 75 frank), moet datzelfde voordeel (in het voorbeeld dus 100 frank) uit de beroepskosten van de werkgever worden geweerd.
Bron: FisconetPlus
