Parlementaire vraag nr. 1562 van de heer Peter Vanvelthoven van 22.03.2017

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/131 dd. 20.09.2017, blz. 237

De forfaitaire buitenlandse belasting

VRAAG (van de heer Vanvelthoven)

Het is mogelijk dat het effectief verrekenbare bedrag van de forfaitaire buitenlandse belasting (FBB) krachtens de toepassing van een dubbelbelastingverdrag hoger is dan het bedrag vastgesteld volgens het Belgisch intern recht. In dat geval is het onduidelijk of de hogere, werkelijk verrekenbare FBB krachtens artikel 37, derde lid, WIB 92 in de verworpen uitgaven moet worden opgenomen, of dat dit beperkt is tot de krachtens het interne recht verrekenbare FBB, rekening houdend met de beperkingen van artikel 285-289 WIB 92. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het in verworpen uitgaven op te nemen bedrag in voormelde situatie beperkt is tot het volgens het interne recht vastgestelde bedrag aan FBB (Cass., 9 januari 2003). Uit recente rechtspraak zou blijken dat de administratie zich heeft neergelegd bij voormelde cassatierechtspraak (zie bij. Rb. Antwerpen 25 juni 2015, 02/2021/A). Naar verluidt is de administratie teruggekomen op ditstandpunt door een a contrario toepassing van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 14/2014 van 29 januari 2014) waarin is beslist dat het bedrag van het FBB dat niet werkelijk is kunnen worden verrekend met de verschuldigde belasting (bijvoorbeeld ingevolge een verliessituatie) niet in verworpen uitgaven moet worden opgenomen.

1. Kan u bevestigen dat de administratie nog steeds de inhoud van de cassatierechtspraak van 2003 volgt, of is dat niet langer het geval?

2. Kan u in het laatste geval toelichten waarom dit niet langer zo is?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Met betrekking tot de gestelde problematiek ben ik op de hoogte van de rechtspraak en inzonderheid van het arrest van het Hof van Cassatie van 9 januari 2003 waaruit volgt dat het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting (FBB) bij het netto-inkomen van de roerende goederen en kapitalen moet worden gevoegd (brutering) en dus in de verworpen uitgaven moet worden opgenomen op basis van de internrechtelijke bepalingen, zonder een onderscheid te maken al naargelang van de effectieve verrekening ervan. Daarnaast meen ik echter dat, in voorkomend geval, het arrest nr. 14/2014 van 29 januari 2014 van het Grondwettelijk Hof in elk geschil ter zake voor de rechter zou kunnen worden ingeroepen. Op basis van de bewoordingen van dat arrest kan worden gesteld dat het FBB, dat niet werkelijk kan worden verrekend, niet moet worden opgenomen in de verworpen uitgaven in geval het gaat om vennootschappen waarvan de belastbare basis nul bedraagt of negatief (fiscaal verlies) is.