Parlementaire vraag nr. 402 van de heer Borginon van 26.04.1996

VRAAG 96/402
Bull. nr. 764, pag. 2037
Onroerende goederen - Onroerende voorheffing - Vermindering
De onroerende voorheffing die verschuldigd is voor een onroerend goed dat betrokken wordt door een gezinshoofd met minstens twee kinderen in leven, wordt verminderd met 10 % per kind ten laste (artikel 257, 3°, WIB 1992). Als dat gezinshoofd een huurder is, dan is het de eigenaar die recht heeft op de vermindering, maar de huurder heeft wettelijk het recht om de vermindering van de huurprijs af te trekken (artikel 259 WIB 1992). Het artikel 258 WIB 1992 bepaalt dat de vermindering maar mag slaan op één enkel onroerend goed dat dan eventueel door de "betrokkene" moet worden aangeduid.
1. Wie is de in deze wetgeving de genoemde "betrokkene" : is dit de eigenaar of de huurder?
2. Heeft de eigenaar recht op vermindering van onroerende voorheffing voor elk goed waarin een huurder met het nodige aantal kinderen ten laste woont, of geldt dit slechts voor één onroerend goed ?
3.
In dit verband wordt het begrip "gezinshoofd" gebruikt.
a)
Op wie slaat het begrip "gezinshoofd" ?
b) Is u het met mij eens dat het begrip "gezinshoofd" in dit verband ouderwets is en helemaal niet meer in overeenstemming is met de principes van het Burgerlijk Wetboek ?
ANTWOORD
1. De in artikel 257, 1° tot 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), bedoelde verminderingen van de onroerende voorheffing, worden verleend aan de in artikel 251 van voormeld wetboek, beperkend opgesomde belastingschuldigen van deze voorheffing zijnde de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen.
De term "betrokkene" waarop het geacht lid doelt, verwijst dus naar de schuldenaar van de voorheffing en niet naar de huurder, die door de voormelde wetsbepaling niet als belastingplichtige wordt aangeduid.
2. De beperking tot één woning opgenomen in artikel 258, 2°, WIB 92, impliceert dat, indien door éénzelfde toestand voor éénzelfde aanslagjaar voor meerdere woningen - die als betrokken kunnen beschouwd worden - een recht tot vermindering ontstaat, de belastingplichtige uitdrukkelijk moet aanduiden voor welke woning de vermindering moet worden toegepast.
Behalve de vermindering wegens bescheiden woning (artikel 257, 1°, WIB 92) waarvoor bepaald wordt dat de belastingplichtige zelf de woning volledig moet betrekken, worden de andere twee verminderingen (artikel 257, 2° en 3°, WIB 92) verleend in hoofde van de bewoner, die niet de schuldenaar van de onroerende voorheffing hoeft te zijn.
Dit houdt dus in dat de eigenaar van meerdere woningen voor ieder van deze onroerende goederen de laatste twee voornoemde verminderingen kan genieten indien de bewoners ervan aan de wettelijke voorwaarden voldoen.
3. Het begrip "gezinshoofd" dient, zoals het trouwens in de aangehaalde wettekst vermeld wordt, begrepen te worden als het "hoofd van een gezin".
In de gebruikelijke betekenis van het begrip "gezin" (vader, moeder, kinderen en alle andere in artikel 136, WIB 92 opgesomde personen) is dit voor de toepassing van artikel 257, WIB 92, de man. Het is echter vanzelfsprekend dat, in andere gevallen, de aanduiding van het hoofd van het gezin afhankelijk zal zijn van de feitelijke toestand ervan (bijv. alleenstaande weduwnaar of weduwe, vrijgezel of gescheiden persoon - met kinderen, grootouder met kleinkinderen, enz.).