Parlementaire vraag nr. 1417 van de heer Dupré van 07.02.1995

VRAAG 95/1417
Bull. nr. 752, pag. 2448
Roerend inkomen facultatief aan te geven - Bekrachtigingswet - Coördinatie - Wijziging
Door de wet van 12 juni 1992 tot bekrachtiging van het WIB 92 gecoördineerd op 10 april 1992 werd artikel 220bis WIB oud vervangen door artikel 313 WIB 92. Artikel 220bis WIB oud stelde onder meer inkomsten uit aandelen vrij van de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting. Voor die vrijstelling was er geen enkele voorwaarde in verband met de kwijting van de roerende voorheffing. Artikel 313 WIB 92 daarentegen legt wel de kwijting van de roerende voorheffing op als voorwaarde voor vrijstelling van aangifte. Dit artikel stemt immers als algemeen principe dat inkomsten uit roerende goederen en kapitalen slechts van de jaarlijkse aangifte worden vrijgesteld wanneer de roerende voorheffing werd ingehouden.
Die wijziging betekent dat de dividenden die geacht worden afkomstig te zijn van een opneming van "definitief belaste reserves" of van "ten name van de vennoten belaste reserves", gezien de vrijstelling bedoeld in artikel 264 WIB 92 (artikel 169, 3°, WIB oud) voortaan toch zouden moeten worden aangegeven in de personenbelasting. Hierdoor ontstaat er een belastbaarheid die niet bestond onder artikel 220bis WIB oud. In antwoord op twee parlementaire vragen over de coördinatie van het WIB heeft u verklaard dat wanneer later werkelijke wijzigingen ten gronde zouden worden vastgesteld, de regering een ontwerp van wet zou neerleggen waarin de noodzakelijke wijzigingen aan het parlement worden voorgesteld (vraag nr. 242, 1 oktober 1992, Bull. Bel., 725/03.93, 609 en vraag nr. 326, 14 december 1992, Bull. Bel., 729/07.93, 1862).
1.
Is die analyse juist ?
2.
Zo ja, zult u dan een ontwerp van wetswijziging voorleggen ?
3. Is de belastingplichtige, in afwachting van die wijziging, vrijgesteld van de aangifte in de personenbelasting ?
ANTWOORD
Zoals ik aangetoond heb in het kader van de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 12 juni 1992 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 10 april 1992 tot coördinatie van het wetboek van de inkomstenbelastingen, indien in het coördinatiewerk onvolkomenheden optreden, zal de regering de noodzakelijke wijzigingen laten aanbrengen.
Voor zover ik weet, is de door het geacht lid aangehaalde problematiek vandaag meer theoretisch dan reëel na de correcties die reeds aangebracht werden aan artikel 313 van het WIB door artikel 34 van de wet van 28 juli 1992 en artikel 51 van de wet van 6 juli 1994.
Indien echter een moeilijkheid inzake toepassing ter kennis van de interpellant werd gebracht, ben ik bereid die door mijn diensten te laten onderzoeken.