Parlementaire vraag nr. 1046 van de heer Eerdekens van 05.07.2002

VRAAG 02/1046
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 134, blz. 16849-16850
Bull. nr. 833, pag. 231-233
Beroepskosten - Woon-werkverkeer - Ander vervoermiddel dan eigen wagen
VRAAG
Ik heb vernomen dat de belastinghervorming tot enige ongerustheid leidt, meer bepaald wat de aftrek van de werkelijke beroepskosten betreft.
Laat ons het voorbeeld nemen van een belastingplichtige die zijn woon-werkverplaatsingen deels per wagen, deels per trein aflegt.
De belastingplichtige maakt volgende berekening:
A) Afgelegde weg (woning-station) = 30 km heen en terug.
Dus: aantal gewerkte dagen × 30 km × 0,15 euro.
B) Trein: aangezien hij niet over bewijsstukken beschikt, kiest de belastingplichtige voor het forfait (WIB 1992, artikel 66bis).
Dus: 0,15 euro × 25 km (het toegelaten maximum) × 2
We komen dus tot het volgende resultaat: (30 km + 50 km) × 0,15 euro × 220 gewerkte dagen = 2 640 euro.
Het spreekt vanzelf dat de werkelijk betaalde abonnementsprijs lager is dan het forfait waarvoor de belastingplichtige heeft gekozen.
1. Welk standpunt neemt uw bestuur terzake in?
2. Wat is het toegelaten bedrag voor het aanslagjaar 2002 en voor volgende aanslagjaren?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve het antwoord op zijn vragen te willen vinden.
Artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting heeft in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) een artikel 66bis ingevoegd waarbij de beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die anders dan met een in artikel 66, § 5, WIB 1992, vermeld voertuig wordt gedaan, bij gebrek aan bewijzen, forfaitair worden bepaald op 0,15 euro per afgelegde kilometer zonder dat de in aanmerking genomen afstand tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling hoger dan 25 kilometer mag zijn. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, de grens van 25 kilometer verhogen.
Deze bepaling is in werking getreden vanaf het aanslagjaar 2002.
Hieruit volgt dat de belastingplichtigen kunnen kiezen voor de forfaitaire aftrek als vermeld in artikel 66bis, WIB 1992 voor het gedeelte van het traject van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling dat met de trein wordt afgelegd; zelfs indien de daadwerkelijk betaalde prijs van het abonnement lager is dan het bedrag van die forfaitaire aftrek.
In het door het geachte lid geciteerde voorbeeld kan de belastingplichtige aldus voor het gedeelte van het traject van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling dat ten belope van minimum 50 km heen en terug met de trein wordt afgelegd, de aftrek van beroepskosten vragen voor een bedrag gelijk aan 0,15 euro × 25 km × 2 × 220 gepresteerde dagen ofwel 1 650,00 euro.
Bovendien wens ik het geachte lid erop te wijzen dat de grens van 25 kilometer vanaf het aanslagjaar 2003 op 50 kilometer zal worden gebracht.