Parlementaire vraag nr. 838 van de heer Biefnot van 01.04.1997

VRAAG 97/838
Bull. nr. 777, pag. 2854
Vr. en Antw., Kamer, nr. 90, 1996-1997, blz. 12356-12357
Tijdige aangifte - Bewijs datum
VRAAG
Het eerste semester, en meer bepaald 30 juni van elk jaar, is traditiegetrouw voor duizenden belastingbetaIers de uiterste datum voor het indienen van de aangifte in de personenbelasting. Laatstgenoemden maken geregeld gewag van de problemen waarmee de indiening van genoemde aangifte bij de administratie van de belastingen gepaard gaat. Aangezien ze zeker weten dat ze hun aangifte hebben afgegeven of op de bus hebben gedaan, begrijpen ze niet dat de administratie soms het tegendeel beweert.
Tegen het einde van het weekend is de brievenbus van de belastingkantoren goed vol of soms overvol. Iemand met slechte bedoelingen of kinderen kunnen gemakkelijk die aangiften ontvreemden of vernietigen, of zelfs in brand steken.
1. Hoe kan de belastingbetaler bijgevolg de zekerheid hebben dat zijn aangifte (indien hij ze niet aangetekend verstuurt) wel degelijk is toegekomen ?
2.
a) Hoeveel belastingplichtigen hebben voor het aanslagjaar 1996 hun aangifte niet tijdig ingediend ?
b) In hoeveel gevallen werden de strafmaatregelen (boetes) die in dergelijke omstandigheden van kracht zijn, toegepast ?
3.
a) Beschikken de hoofdcontroleurs en de directeurs van de belastingkantoren over een beoordelingsbevoegdheid ter zake ?
b) Zo ja, treden zij op grond van algemene regels op?
4. Welke maatregelen zou men kunnen nemen om genoemde problemen op te lossen ?
ANTWOORD
Het geacht lid gelieve hierna een antwoord op de verschillende punten van zijn vraag te vinden.
1 en 4. De taxatiediensten hebben als richtlijn om tijdens de periode waarin de aangiften in de inkomstenbelastingen massaal worden ingediend, het nodige te doen opdat de brievenbus van het dienstgebouw meermaals per dag, ook tijdens het weekeinde, wordt geledigd.
Principeel berust de verplichting om een aangifte in de inkomstenbelastingen in te dienen, overeenkomstig artikel 305, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, op de belastingplichtige en in voorkomend geval komt het hem toe om te bewijzen dat hij zijn verplichting heeft nageleefd (Cassatie, 28 januari 1991, S. en C.). Hij zal er dus zorg voor dragen dat hij het bewijs kan leveren van de naleving van de genoemde verplichting; dat bewijs mag worden geleverd door alle middelen van het gemeen recht, behalve de eed.
2. De Administratie der directe belastingen beschikt ter zake niet over specifieke statistische gegevens.
3. Het is de effectieve ontvangstdatum van de aangifte die in aanmerking moet worden genomen voor de te volgen procedure.