Parlementaire vraag nr. 23594 en nr. 23595 van de heer Roel Deseyn van 21.02.2018
Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2017-2018, CRIV 54 COM 825 d.d. 21.02.2018, blz. 11
De beperking pro rata temporis van de fiscale voordelen
VRAAG (van de heer Deseyn)
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik heb twee vragen, waarvan de ene meer algemeen van aard is en de andere specifiek van toepassing is op de overwerkregeling. De programmawet van 25 december 2017 voorziet in een beperking pro rata temporis van de fiscale voordelen. Het betreft vooral de beperking van de voordelen in de belasting voor niet-inwoners. Op basis van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie moet België namelijk aan niet-inwoners die niet het grootste deel van hun inkomsten in België behalen, enkel dezelfde inkomensgerelateerde voordelen verlenen als deze die aan de rijksinwoners worden verleend. De regeling werd al in 2016 aangekondigd met de beleidsnota voor het jaar 2017 en wordt met de programmawet uitgevoerd. Iemand die voor één maand in België verblijft, daar enige economische handelingen stelt of een beroepswerkzaamheid uitoefent, wordt ook maar voor die ene maand belast. In dat opzicht is het ook logisch dat de fiscale voordelen niet voor een volledig jaar maar in verhouding tot het verblijf of de aanwezigheid in België worden toegekend. In zijn advies citeert de Raad van State het arrest van het Europees Hof van Justitie van 29 april 2004, in de zaak-Pusa. De Raad stelt hierbij onvoldoende tijd te hebben gehad om voor elk van de bedoelde voordelen te onderzoeken of de schrapping ervan niet leidt tot een ongelijkheid in strijd met het Europees recht. Dat is een zeer interessante situatie. Immers, het Europees Hof doet uitspraken en noemt iets een principekwestie, terwijl de Raad van State zegt dit niet voor alle onderscheiden onderdelen te kunnen nagaan. Wij hebben die zaken echter allemaal wel goedgekeurd en dat moest ook vrij snel gaan, wat typisch is, maar nu komen er opmerkingen uit de praktijk en moeten wij rekening houden met hogere rechtspraak enzovoort. Hebt u bij de voorbereiding van de programmawet voor al die fiscale voordelen een en ander kunnen aftoetsen bij het kabinet of de administratie? Is er daarover een nota? De Raad van State zegt immers niet alles te hebben kunnen nagaan. Anticiperend op de vele praktische problemen in de toekomst, vraag ik mij af of de toepassing de toetsing kan doorstaan volgens de criteria die in verschillende arresten door het Hof van Justitie werden uitgedrukt? Is deze oefening gebeurd of ligt dat werk nog op de plank en moet het gaandeweg zijn beslag krijgen? Dat zou geen ideale situatie zijn. Om beter de toekomst voor te bereiden, is het wel zeer interessant om de gegevens van de voorbereiding te kennen. Mijn tweede vraag betreft een van de vele voordelen in het bijzonder, met name overwerk. De inleiding voor deze vraag is uiteraard dezelfde als voor de vorige, vermits het principe daarnet al voldoende werd geschetst. Het overwerk moet voor 100 % in België zijn verricht en dito worden belast, anders krijgt men het voordeel niet of niet meer. Het is in die context dat ik u de volgende vragen wil stellen, mijnheer de minister. Kunt u verduidelijken hoe deze maatregel zich verhoudt ten opzichte van artikel 156, 2°? Dat is het artikel dat in het buitenland behaalde beroepsinkomsten vrijstelt. Kunt u meer bepaald verduidelijken hoe dat artikel zich verhoudt ten opzichte van de beroepswerkzaamheden of activiteiten verricht in landen waarmee België geen dubbelbelastingverdrag heeft gesloten? Waarom is dat belangrijk? Een belastingvrije som wordt ook beperkt in de tijd en pro rata berekend, naargelang van waar de beroepswerkzaamheden zijn verricht. Hetzelfde geldt voor het voordeel voor overwerk. De belastingvermindering voor buitenlandse inkomsten hangt af van het al dan niet bestaan van een belastingverdrag. Wij zitten hier dus met een zaak die moet worden uitgeklaard wat betreft de volgorde van aanrekeningen en waar er een onderscheid van toepassing is. Stel, bijvoorbeeld, dat 90 % van het overwerk in België wordt gepresteerd en 10 % in het buitenland, valt het voordeel dan volledig weg of wordt het ook hier pro rata berekend? Hoe verhoudt dat zich dan ten opzichte van artikel 156, 2°? Het betreft hier immers een specifieke regeling voor beroepsinkomsten verworven in het buitenland. Indien er geen dubbelbelastingverdrag is gesloten, is de regeling dat de inkomsten dan met de helft worden verminderd, als ik het goed voorheb. We zitten daar met verschillende breukdelen in die aanrekening, wat heel complex is. Ik geef een voorbeeld. Als er een beroeps-werkzaamheid is voor vijf maanden in Frankrijk en zeven maanden in België maar het overwerk volledig in België wordt gepresteerd, blijft het voordeel volgens u dan behouden of is daar dan een pro rata aanrekening? Dat zijn allemaal interpretaties, dus dit zijn belangrijke vragen om te bekijken hoe dat in de praktijk moet worden berekend.
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
Mijnheer de voorzitter, mijnheer Deseyn, eerst kom ik tot de zaak Pusa met betrekking tot de fiscale voordelen. Door bepaalde fiscale voordelen te verminderen op basis van de duur van het belastbaar tijdperk heeft de regering willen vermijden dat belastingplichtigen die in de loop van het belastbaar tijdperk hun woonplaats vanuit het buitenland naar België overbrengen of omgekeerd, twee keer die fiscale voordelen zouden kunnen genieten. Een regeling die dubbele voordelen vermijdt en waarbij rijksinwoners en niet-inwoners op dezelfde manier worden behandeld, lijkt mij echt niet in strijd met het Europees recht. Wat de vragen over overwerk betreft, om de belastingvermindering voor overwerk te kunnen genieten, is niet vereist dat dit overwerk zelf volledig in België is verricht, maar de bezoldigingen uit dat overwerk moeten wel volledig in België worden belast. Voor de rijksinwoners houdt dit in dat de vermindering voor overwerk niet van toepassing is voor de bezoldigingen uit overwerk waarop de belastingvermindering voor inkomsten uit het buitenland is toegepast. Dit is dan zowel de vrijstelling met progressievoorbehoud als de vermindering tot de helft, in toepassing van artikel 156, waarnaar u verwijst. Voor de niet-inwoners is de vermindering voor overwerk enkel van toepassing wanneer de bezoldigingen uit dat overwerk in België belastbare beroepsinkomsten vormen die in de aangifte in de belasting niet-inwoners daadwerkelijk worden geregulariseerd. Het is dus niet nodig een verhouding te bepalen tussen de in België en de in het buitenland gepresteerde overuren en vervolgens de belastingvermindering voor overwerk volgens die verhouding te beperken.
Roel Deseyn : Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, dat is wat men "de puntjes op de i plaatsen" noemt. Ik dank u voor de verduidelijking.
