Parlementaire vraag nr. 108 van mevrouw Pieters van 10.11.2003

VRAAG 03/108
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 30, blz. 4617-4619
Buitengewone aanslagtermijn van vijf jaar - Fraude - Onderzoekstermijn
VRAAG
Krachtens artikel 354, tweede lid, WIB 1992, wordt de aanslagtermijn verlengd in geval van inbreuken op de bepalingen van dit wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
Luidens artikel 333, derde lid, WIB 1992, "mogen" er dienaangaande onderzoekingen worden verricht gedurende die in artikel 354, tweede lid, WIB 1992, bedoelde aanvullende termijn van twee jaar, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk. Die voorafgaande kennisgeving is trouwens voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.
Alvorens tot dergelijke onderzoekingen te kunnen overgaan, moet de administratie dus over ernstige aanwijzingen van fraude beschikken.
In fiscale kringen blijft er echter algemeen nog steeds enige verdeeldheid bestaan omtrent de praktische toepassing van deze buitengewone aanslag- en onderzoekstermijn van vijf jaar.
1. Is voor de toepassing van artikel 354, tweede lid, WIB 1992 strikt vereist dat de fiscale inbreuken reeds werden vastgelegd tijdens de "gewone" aanslagtermijn van drie jaar?
2.
a) Moeten, beoordeeld in het licht van de beginselen van behoorlijk bestuur, de taxatiediensten de nietaangegeven belastingmaterie steeds onmiddellijk belasten tijdens de normale driejarige taxatietermijn of moet dit maar volledig geschieden binnen de bijzondere aanslagtermijn (artikel 354, tweede lid, WIB 1992) wanneer zij reeds ontegensprekelijk op afdoende wijze kennis hadden van de kwestieuze inbreuken binnen de gewone termijn van drie jaar?
b) Mogen de belastingambtenaren de taxatie met andere woorden zomaar naar eigen goeddunken gemakshalve maximum nog twee jaar uitstellen en kadert deze vertraagde handelwijze in de nieuwe fiscale bedrijfscultuur?
3.
a) Mag of moet die "voorafgaande" schriftelijke kennisgeving waarvan sprake in artikel 333, derde lid, WIB 1992, reeds gebeuren binnen de gewone of normale onderzoeks- en aanslagtermijn van drie jaar?
b) Of moet er met die "voorafgaande" kennisgeving duidelijk minstens worden gewacht tot die buitengewone aanslagtermijn en/of die aanvullende onderzoekstermijn van twee jaar daadwerkelijk al is aangevangen?
Kan zo'n onderzoeksuitbreiding met andere woorden nietig worden verklaard omwille van een vroegtijdig of voorbarig inzetten van de voorgeschreven wettelijke en administratieve onderzoeksen wijzigingsprocedure reeds binnen de gewone of normale termijn van drie jaar?
4. Levert een louter gebrek aan aangifte in de personenbelasting of de vennootschapsbelasting of een gebrek aan reactie op een bericht van wijziging van aangifte of op een kennisgeving van aanslag van ambtswege voor de belastingadministraties reeds een bewijs op van bedrieglijk opzet, fraude of van kwade trouw?
5. Kan u uw huidige ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van beide voornoemde wettelijke bepalingen als van alle beginselen van behoorlijk en klantvriendelijk bestuur?
ANTWOORD (minister van Financiën, 29.04.2004)
Krachtens artikel 354, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), wordt de aanslagtermijn voorzien in het eerste lid van dit artikel met twee jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Voor de toepassing van dit artikel vereist de wet echter niet dat die inbreuk is vastgesteld tijdens de aanslagtermijn van drie jaar bepaald in artikel 354, eerste lid, WIB 1992. Dit artikel houdt ook geen beperking in, in de zin dat, indien de administratie al kennis had van het feit dat aanleiding geeft tot de aanslag gedurende de aanslagtermijn van drie jaar, de buitengewone aanslagtermijn van vijf jaar niet kan worden toegepast.
Artikel 333, derde lid, WIB 1992, bepaalt dat onderzoekingen mogen worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, WIB 1992, bedoelde aanvullende termijn, op voorwaarde dat de administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoelde tijdperk. Voor de toepassing van dit artikel vereist de wet echter niet dat die voorafgaande kennisgeving dient te gebeuren tijdens de aanslagtermijn van drie jaar bepaald in artikel 354, eerste lid, WIB 1992.
Het bedrieglijk opzet wordt niet bewezen geacht door het enige feit dat er geen aangifte van belastbare inkomsten is gedaan. In feite moet op grond van de feitelijke gegevens in elke zaak afzonderlijk worden nagegaan of de vastgestelde overtreding al dan niet begaan is met het oogmerk om zichzelf of een derde, ten nadele van de Schatkist een ongeoorloofd voordeel te bezorgen.