Parlementaire vraag nr. 2475 van de heer Benoît Piedboeuf van 06.12.2018

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2018-2019, QRVA 54/180, d.d. 18.02.2019, blz. 9

Vennootschapsbelasting. - Hervorming. - De voorrang van een bepaald belastingtarief

VRAAG

Een vennootschap realiseert tijdens haar boekjaar dat begint op 1 januari 2018 en eindigt op 31 december 2018 een meerwaarde op aandelen die belastbaar is tegen 25 % + 2% aanvullende crisisbijdrage (aandelen die minder dan één jaar zijn aangehouden). Het bedrag van de meerwaarde (indien van toepassing, na aftrek van de kosten van vervreemding) bedraagt 10.000 euro.

Tijdens hetzelfde boekjaar heeft de vennootschap ook een voorziening voor risico's en kosten teruggenomen die in 2017 werd aangelegd en dus belastbaar is tegen een tarief van 33,99 %. Het bedrag van de meerwaarde bedraagt 150.000 euro.

De vennootschap is een kleine vennootschap in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen en voldoet aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief tot 100.000 euro.

Hoe moeten, in deze omstandigheden, de verschillende tarieven worden toegepast op de resterende belastinggrondslag na de verschillende aftrekken (code 1450) van 200.000 euro, 155.000 euro, 100.000 euro of -20.000 euro?

ANTWOORD

Bij gebrek aan informatie over de aanrekening van de bedragen van de fiscale aftrekken op de verschillende bestanddelen van het belastbaar inkomen, kan ik geen antwoord in cijfers geven met betrekking tot de uitsplitsing van de belastbare grondslag tussen de verschillende belastingtarieven.

Niettemin, gelet op het afwijkende chronologische karakter van de bepalingen van de artikelen 217, eerste lid, 2° en 217/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ten opzichte van de bepalingen van artikel 215 van hetzelfde wetboek, zal de uitsplitsing van de belastbare grondslag, in dit geval, vooreerst gebeuren tegen het tarief van 33,99 %, daarna tegen het tarief van 25 % en ten slotte tegen het verminderde tarief.

De samen lezing van die bepalingen zorgt er zo voor dat het door de wetgever beoogde antimisbruikkarakter van de maatregel met betrekking tot de terugname van een voorziening, wordt nageleefd.