Parlementaire vraag nr. 137 van de heer Jan Jambon van 26.11.2010
Parlementaire vraag nr. 137 van de heer Jan Jambon dd. 26.11.2010
Vennootschapsbelasting
Rechtspersonenbelasting
Roerende voorheffing
Vrijstelling
Vrijstelling van de Ven.B
VRAAG
In het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden in de artikelen 180 tot en met 182 de vennootschappen aangeduid die vrijgesteld worden van de vennootschapsbelasting, omwille van (onder meer) hun sociale opdracht. Tevens worden deze vennootschappen vrijgesteld van de roerende voorheffing. Het is echter niet ondenkbaar dat een aantal van de bedrijven en organisaties die onder deze regeling gevat worden, toch nog aan een vorm van inkomstenbelasting of roerende voorheffing onderhevig is. De Belgische belastingregelgeving is immers zeer complex en kent vele uitzonderingen. Omwille van deze reden kan het nuttig zijn om na te gaan of deze vennootschappen wel degelijk volledig vrijgesteld zijn van de heffing van inkomstenbelastingen, zoals bedoeld in de artikelen 180 tot en met 182 WIB 1992, en de roerende voorheffing.
1. a) Werden er in de aanslagjaren 2007-2009 inkomstenbelastingen geheven op de betrokken vennootschappen, in het bijzonder de sociale secretariaten, de werkgeversorganisaties, de werknemersorganisaties en de mutualiteiten?
b) Zo ja, kan u voor elk van de voornoemde jaren aparte cijfers geven?
2. a) Werden er in de aanslagjaren 2007-2009 roerende voorheffing geheven op de betrokken vennootschappen, in het bijzonder de sociale secretariaten, de werkgeversorganisaties, de werknemersorganisaties en de mutualiteiten?
b) Zo ja, kan u voor elk van de voornoemde jaren aparte cijfers geven?
3. Indien het antwoord op een of beide vragen "ja" is, kan u verdere informatie verstrekken over de rechtsgrond waarop de genoemde vennootschappen, en de specifieke organisaties in het bijzonder, belast werden?
ANTWOORD (van de heer Reynders, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)
Op het algemene vlak kan ik het geachte lid meedelen dat rechtspersonen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting op grond van artikel 220, 2° of 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat inzonderheid verwijst naar de artikelen 180 tot 182, van hetzelfde Wetboek, in principe geen vrijstelling of verzaking van de roerende voorheffing kunnen verkrijgen. Bovendien zijn, in tegenstelling tot wat het geachte lid meent te mogen veronderstellen, inzonderheid de sociale secretariaten, de werkgeversorganisaties, de werknemersorganisaties en de mutualiteiten in principe wel onderworpen aan de inkomstenbelastingen, met name de rechtspersonenbelasting, voor zover uiteraard zij een eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Voor het overige kan ik het geachte lid meedelen dat de administratie niet beschikt over cijfers met betrekking tot de door hem gestelde vragen.
