Parlementaire vraag nr. 792 van de heer Hatry van 23.01.1998
VRAAG 98/792
Vr. en Antw., Senaat, 1997-1998, nr. 1-77, blz. 4039
Bijkomende interestaftrek - Bouwsparen - Hypothecaire lening - Hypothecair mandaat
VRAAG
Een lening die slechts gewaarborgd is door een hypothecair mandaat mag, inzake PB, niet worden gelijkgesteld met een hypothecaire lening.
Volgens sommige dagbladen zou het de bedoeling zijn van het bestuur van Financiën niet te aanvaarden dat het hypothecair mandaat zonder reële inschrijving recht geeft op fiscale aftrek voor de vermindering van de belasting op de afschrijving van kapitaal, de bijkomende vermindering van interesten, de verhoogde vermindering met betrekking tot de levensverzekeringspremies alsook de bijzondere belastingstelsels.
Het is niet ondenkbaar dat een dergelijke maatregel wordt genomen, maar volgens de desbetreffende persartikelen zouden deze regels vanaf het aanslagjaar 1994 toegepast worden (sic).
Ik vraag aan de geachte Minister dat hij een dergelijke retroactiviteit duidelijk zou uitsluiten, aangezien ze een grote onzekerheid zou teweegbrengen met betrekking tot operaties die vier jaar terug volkomen wettig zijn uitgevoerd.
ANTWOORD
Zoals ik heb verduidelijkt in mijn antwoord op de parlementaire vraag nr 144 dd. 9 november 1995 van volksvertegenwoordiger Lenssens (bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, nr 35 van 28 mei 1996, gewone zitting 1995-1996, blz. 4454 (Bull. 767), mag de verruiming van het begrip hypothecaire lening tot een hypothecaire volmacht of belofte in de zin van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, niet worden doorgetrokken op het vlak van de personenbelasting.
Zowel inzake de belastingverminderingen voor kapitaalaflossingen (artikelen 145^1, 3°, en 145^17, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, afgekort WIB 92) en premies van individuele levensverzekeringen (artikel 145^17, 1°, WIB 92), als inzake de bijkomende interestaftrek (artikel 104, 9°, WIB 92), de omzetting van sommige kapitalen, vergoedingen en afkoopwaarden in lijfrente (artikel 169, § 1, WIB 92) en de afzonderlijke taxatie (artikel 171, 2°, d, WIB 92), is bijgevolg reeds vereist dat de lening gewaarborgd is door een effectieve hypothecaire inschrijving.
De in het laatste lid van de vraag geuite vrees is dus ongegrond.
Bron: FisconetPlus
