Parlementaire vraag nr. 1183 van de heer Vandeurzen van 19.08.1994
VRAAG 94/1183
Bull. nr. 745, pag. 144
Pensioensparen - Belastingvermindering
Krachtens artikel 145^8, WIB 1992 komt de som die in het kader van het pensioensparen is gestort in aanmerking voor een belastingvermindering, zo een aantal voorwaarden zijn vervuld. Artikel 145^8, lid 2, WIB 1992, bepaalt dat het in aanmerking te nemen bedrag beperkt is tot 20.000 Belgische frank per belastbaar tijdperk en voegt eraan toe dat elke echtgenoot gerechtigd is op die vermindering indien hij persoonlijk houder is van een spaarrekening of spaarverzekering.
Kunt u mij bevestigen dat krachtens die wettelijke regeling het recht op vermindering behouden blijft voor de som (van 20.000 Belgische frank) die in het kader van pensioensparen is gestort door een gehuwde belastingplichtige op zijn persoonlijke spaarrekening, ook wanneer blijkt dat op de aanslagbasis van die belastingplichtige ten gevolge van de toepassing van artikel 88 (huwelijksquotiënt), 131, 132 en 133 (belastingvrije sommen), WIB 1992, geen belasting is verschuldigd, maar dat (uitsluitend) tengevolge van de toepassing van artikel 88, WIB 1992, wel belasting verschuldigd is op de aanslagbasis van de echtgenote van die belastingplichtige (op wiens naam geen persoonlijke rekening in het kader van pensioensparen werd geopend en bijgevolg ook geen storting werd gedaan)?
Anders gesteld, gaat u ermee akkoord dat artikel 145^8, WIB 1992, er zich niet tegen verzet dat de vermindering voor pensioensparen wordt aangerekend op de belasting die verschuldigd is op de aanslagbasis van de echtgenote (die uitsluitend is gevormd door de toepassing van artikel 88, WIB 1992, en bijgevolg in werkelijkheid samengesteld is uit bedrijfsinkomsten die de gehuwde belastingplichtige heeft verworven), ook wanneer blijkt dat de som van in het kader van pensioensparen is gestort op de persoonlijke rekening van de gehuwde belastingplichtige (op wiens aanslagbasis precies tengevolge van artikel 88, WIB 1992, geen belasting is verschuldigd)?
Een dergelijke toepassing is bovendien in overeenstemming met de gevestigde rechtspraak inzake kapitaalaflossingen (zie onder meer Luik, 25 maart 1993, Bulletin der belastingen, 1993, blz. 1242).
ANTWOORD
Wat de betalingen voor het pensioensparen betreft, stelt artikel 145^8, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) uitdrukkelijk dat elke echtgenoot gerechtigd is op de in de artikelen 145^1 en 145^2, WIB 1992 bedoelde belastingvermindering, indien hij persoonlijk houder is van een spaarrekening of een spaarverzekering.
Die bepaling impliceert dat de echtgenoot die zelf geen houder is van een spaarrekening of een spaarverzekering geen aanspraak op die vermindering kan maken.
Bovendien bepaalt artikel 145^2, WIB 1992 dat de aanslagvoet, die van toepassing is op de uitgaven die ten name van elke echtgenoot voor die belastingvermindering in aanmerking komen, voor elke echtgenoot afzonderlijk moet worden vastgesteld met inachtneming van de bepalingen van artikel 127, WIB 1992 (wat onder meer inhoudt dat ook met de toekenning van het huwelijksquotiënt rekening moet worden gehouden).
Uit wat voorafgaat blijkt dus duidelijk dat de wetgeving de belastingvermindering met betrekking tot het pensioensparen per echtgenoot heeft willen "individualiseren" zodat de vermindering wegens pensioensparen nooit van de ene echtgenoot naar de andere echtgenoot kan worden overgeheveld.
Bron: FisconetPlus
