Parlementaire vraag nr. 345 van mevrouw Pieters van 13.04.2004

VRAAG 04/345
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 61, blz. 9745-9747
Inkoop eigen aandelen - Roerende voorheffing - Belastbaar tijdstip
VRAAG
Op een welbepaalde datum gaat een vennootschap opgericht onder de vorm van een BVBA, over tot de inkoop van 10 % van haar eigen aandelen.
Overeenkomstig artikel 326 W. Venn. dienen deze aandelen binnen de twee jaar na de verkrijging vervreemd te worden op grond van een besluit genomen door de algemene vergadering, zoniet worden deze aandelen van rechtswege nietig. Gezien de aandelen twee jaar na de inkoop nog steeds op het actief van de vennootschap aanwezig zijn, is dit laatste van toepassing en dient overeenkomstig artikel 186 WIB 1992 een inkoopbonus die op fiscaal vlak met een dividend wordt gelijkgesteld, belast te worden.
Bovendien is vanaf 1 januari 2002 overeenkomstig artikel 267 WIB 1992 de roerende voorheffing verschuldigd naar aanleiding van de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten.
De vraag rijst wat in dit geval als datum van toekenning of betaalbaarstelling beschouwd dient te worden: is dit de datum van de inkoop van de eigen aandelen of de datum van nietigheid van de eigen aandelen?
In principe dient de roerende voorheffing die eventueel ten laste van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger der inkomsten aan de berekeningsbasis voor de roerende voorheffing worden toegevoegd.
Kan uw administratie meedelen of in dit geval mag gesteld worden dat de schuldenaar van de roerende voorheffing de intentie had om de verkrijger te ontlasten waardoor het dividend dient gebruteerd te worden?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 13.01.2005)
Vooreerst wens ik het geachte lid erop te wijzen dat het Arbitragehof in zijn arresten van 23 juni 2004 met nummers 109 en 110/2004 artikel 32, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, in zoverre het liquidatieboni die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vóór 1 januari 2003 aan de roerende voorheffing onderwerpt, en artikel 33 van dezelfde wet heeft vernietigd. Terzake kan worden verwezen naar het antwoord dat ik op 29 juni 2004 heb verstrekt op de mondelinge vragen van het geachte lid en de heer volksvertegenwoordiger Goyvaerts (commissie voor de Financiën en de Begroting, Kamer, 2003-2004, 2e zitting van de 51 Zittingsperiode stuk CRIV 51 COM 313, 29 juni 2004, blz. 7 tot 9) De roerende voorheffing blijft evenwel van toepassing op liquidatieboni die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2003.
In het door het geachte lid bedoelde geval wordt er, overeenkomstig de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 186, tweede lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), op fiscaal vlak geacht een dividend te zijn toegekend wanneer de aandelen van rechtswege nietig worden. Dienaangaande kan eveneens worden verwezen naar de parlementaire stukken ter voorbereiding van de hiervoor vermelde wet van 24 december 2002 (Plenumvergadering, Integraal Verslag, Kamer, 2002-2003, 5e zitting van de 50e zittingsperiode, stuk CRIV 50 PLEN 288, 6 december 2002, blz. 31-32).
Wanneer uit de feitelijke elementen, inzonderheid de boekhoudkundige verwerking bij de schuldenaar van de roerende voorheffing, meer bepaald de inkopende vennootschap, blijkt dat de roerende voorheffing ten laste van de schuldenaar valt ter ontlasting van de verkrijger, waardoor deze laatste een voordeel verkrijgt, moet deze roerende voorheffing overeenkomstig artikel 268, WIB 1992 in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de grondslag waarop de roerende voorheffing is verschuldigd.