Parlementaire vraag nr. 102 van mevrouw Claes van 29.04.2008

Parlementaire vraag nr. 102 van mevrouw Claes dd. 29.04.2008

Vennootschapsbelasting

Belasting van niet-inwoners vennootschappen

Kledingkosten

Voordeel van alle aard

Beroepskosten

VRAAG

Overeenkomstig artikel 53, 7° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden "kosten voor kledij" niet als "beroepskosten" aangemerkt. Alleen "specifieke beroepskledij" komt eventueel wel in aanmerking voor aftrek. Ingevolge de beschikkingen van de artikelen 183 en 185 WIB 1992 is voornoemde bepaling van artikel 53, 7° WIB 1992 in principe eveneens van strikte toepassing inzake vennootschapsbelasting. De wetgever heeft het dus duidelijk alleen over geboekte of betaalde "kosten voor kledij" en maakt noch een onderscheid tussen zuiver private of werk- en stadskledij, noch tussen de aard van die geboekte kledijkosten (werkelijk of forfaitair).

Op het aangifteformulier nr. 275.1 inzake vennootschapsbelasting, waarvan het model jaarlijks in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd en daardoor ook kracht van wet heeft, werd bovendien een afzonderlijk gecodeerde rubriek nr. 034 ingelast om al dergelijke "kosten voor kledij" als een "verworpen uitgave" te laten aangeven.

In de praktijk wordt echter algemeen vastgesteld dat de belastingambtenaren die al dan niet forfaitair en/of via rekening courant geboekte betaalde "kosten voor kledij" wensen te beschouwen als een "aanvullend inkomen" (= voordelen van alle aard) belastbaar in hoofde van de bedrijfsleiders en/of van de werknemers of die aanmerken als een reservebestanddeel tegoed op zaakvoerders bestuurders of kaderleden in plaats van zoals al aangegeven als een "verworpen uitgave".

1. Kan voornoemde algemene handelwijze integraal worden bijgetreden wat betreft:

a) kosten voor gewone arbeids- of werkkledij waarvoor een factuur of betalingsbewijs voorhanden is bij en op naam van de vennootschap;

b) forfaitaire kosten uit hoofde van beroepsmatig aangewende klassieke stadskledij al dan niet geboekt via rekening-courant van de bedrijfsleiders of van de kaderleden;

c) louter private kledij van de bedrijfsleiders, de kaderleden of van de werknemers?

2. Wordt het bestaan van de gecodeerde rubriek nr. 034 dan niet compleet doelloos of met andere woorden in al welke praktische gevallen mag of moet dit vak dan wel nog worden gebruikt als de belastingambtenaren de als "verworpen uitgaven" aangegeven bedragen toch telkens een ander taxatieregime als "inkomen" willen toemeten?

3. Rust de bewijslast van het bestaan en van de hoegrootheid van een belastbaar "bedrijfsinkomen" of van een reservebestanddeel uit hoofde van privaat gebruik van arbeids- werk- of stadskledij niet veeleer uitsluitend op de belastingadministratie?

4. Welke bepalingen hebben inzake vennootschapsbelasting wettelijk voorrang: de beschikkingen van artikel 53, 7° of die van artikel 24, eerste lid, 4°, artikel 31, tweede lid, 2° of artikel 32, tweede lid, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992?

5. Is de Centrale Administratie algemeen voorstander van een pragmatische oplossing van soortgelijke betwistingen inzake vennootschapsbelasting of heeft zij algemene instructies uitgevaardigd om de bedoelde wijzigingen van taxatieregime tot belastbaar inkomen toch steeds te laten doorvoeren?

6. In welke mate mogen de getroffen werknemers en bedrijfsleider hun werkelijke beroepskosten inzake al dan niet-specifieke kledijkosten dan eventueel toch nog bewijzen in de zin van artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992?

7. Kan u punt per punt uw algemene ziens- en handelwijze meedelen uitsluitend in het licht van de wetgeving inzake vennootschapsbelasting?

ANTWOORD (van de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen van 8 september 2008, op de vraag nr. 102 van mevrouw Ingrid Claes van 29 april 2008 (N.)) :

Het geachte lid gelieve hierna een antwoord op haar vragen te vinden.

1 tot 4. Vooreerst wens ik het geachte lid erop te wijzen dat wanneer het voordeel waarvan sprake is in haar vragen toegekend is ingevolge een beroepsband tussen de schuldenaar en de verkrijger, a priori moet worden besloten dat het voordeel als een beroepsinkomen van de verkrijger te belasten is.

In elk geval kan de betrokken vennootschap die het voordeel heeft verleend niet zelf kiezen voor de toepassing van een bepaald (ander) belastingstelsel, met name het in verworpen uitgaven opnemen van de bedoelde kosten voor niet-specifieke beroepskledij. De fiscale wetten zijn immers van openbare orde en bijgevolg van toepassing op alle belastingplichtigen die zich in eenzelfde situatie bevinden.

Bovendien is het zo dat, wanneer de vennootschap die het voordeel heeft verleend, nalaat deze voordelen te verantwoorden door het inleveren van de in artikel 57 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, WIB 1992, vermelde individuele fiches en samenvattende opgave(n), het bedrag ervan in principe onderworpen wordt aan de in artikel 219, WIB 1992, bedoelde afzonderlijke aanslag (zie de antwoorden die zijn verstrekt op de parlementaire vragen nr. 948 van 8 maart 1994, gesteld door de heer Ghesquière, en nr. 68 van 22 maart 1996, gesteld door de heer Hatry).

Bovendien zijn inzake vennootschapsbelasting en belasting niet-inwoners/vennootschappen de bepalingen van artikel 53, 7° en 11°, WIB 1992 niet van toepassing op kosten van niet-specifieke beroepskledij wanneer die kosten bij de verkrijgers als een voordeel van alle aard belastbaar zijn, zodat de toepassing van de voormelde bepaling ten name van een vennootschap eerder uitzonderlijk is (zie nr. 195/119 van de administratieve commentaar op het WIB 1992).

5. Er kan worden verwezen naar de voormelde duidelijke algemene onderrichtingen, zodat geen pragmatische oplossing nodig is en geen bijkomende instructies moeten uitgevaardigd worden.

6. Terzake wordt verwezen naar het antwoord dat is verstrekt op de parlementaire vraag nr. 197 van 21 april 1989, gesteld door de heer Capoen.