Parlementaire vraag nr. 1043 van de heer Chastel van 19.12.2005

VRAAG 05/1043
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 114, blz. 21922-21925
VZW - Fiscaal regime
VRAAG
De door de regering aanbevolen schoonmaakoperatie, die de valse verenigingen zonder winstoogmerk moest opsporen, werpt haar vruchten af. Sommige verenigingen en hun belastingconsulenten worden echter met een aantal praktische moeilijkheden geconfronteerd.
Hoe moet de winst die een VZW die in het stelsel van de Rechtspersonenbelasting (RPB) heeft gemaakt worden aangemerkt wanneer die vereniging belastbaar wordt in het stelsel van de Vennootschapsbelasting Ven.B.) ?
Uit de debatten komen twee hypothesen naar voren, zonder dat andere mogelijkheden evenwel worden uitgesloten.
Wat de toepassing van artikel 184, lid 5 WIB 1992 het nettoactief van een VZW die eerst in het stelsel van de RPB en vervolgens in dat van de Ven.B. wordt belast, betreft, kan er enzerzijds vanuit worden gegaan dat dit nettoactief wordt vrijgesteld, naar analogie met behandeling van het bedrag van het actief van een VZW die wordt omgevormd tot een vennootschap met sociaal oogmerk. Bij gebrek aan wettelijke bepaling terzake, zou men inderdaad kunnen oordelen dat artikel 19, 3° van de wet van 22 september 1998 mutatis mutandis van toepassing is op het nettoactief van een vereniging die belastbaar wordt in het stelsel van de Vennootschapsbelasting en dat de aldus ontstane reserve vrijgesteld is voor zover ze blijft voldoen aan bij artikel 190 WIB 1992 bepaalde onaantastbaarheidsvoorwaarde.
Anderzijds kan worden geoordeeld dat dit nettoactief wordt gelijkgesteld met een definitief belaste reserve, aangezien het stelsel waaraan het vroeger onderworpen was, gekenmerkt werd door de afwezigheid van belasting. Ik verwijs in dat verband naar artikel 183 WIB 1992 dat het beginsel van de belastbare materie in de Vennootschapsbelasting omschrijft: «wat hun aard betreft, zijn de inkomsten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of daarvan vrijgesteld zijn, dezelfde als die welke inzake personenbelasting worden beoogd; het bedrag ervan wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst.» Er is geen sprake van de RPB en derhalve kan het nettoactief van de RPB als dusdanig niet aan de Vennootschapsbelasting worden onderworpen.
Bij de vestiging van de RPB wordt vaak gebruik gemaakt van de wijze van aanslag van de diverse inkomsten bedoeld in artikel 90 WIB 1992. Het verschil tussen de diverse inkomsten en de beroepsinkomsten is gebaseerd op het begrip «beroepswerkzaamheid». Het Hof van Cassatie omschrijft deze als « un ensemble d'opérations qui se produisent fréquemment et qui sont suffisamment liées entre elles afin de constituer une activité habituelle et continue» (een geheel van verrichtingen die regelmatig gebeuren en die voldoende onderlinge samenhang vertonen om als een gewone en ononderbroken werkzaamheid te worden aangemerkt (Cass., 27 oktober 1983, BC, nr. 637, blz. 456; REA Brussel, 22 februari 2002, Fiscoloog, 851, 2002, blz. 9).
De VZW's die belastbaar blijven in het stelsel van rechtspersonenbelasting, kunnen geen beroepsinkomsten verwerven, aangezien ze geen onderneming kunnen exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard kunnen bezighouden (artikel 220, 3°, WIB 1992). Bijgevolg kan het nettoactief van een echte VZW die voortaan niet meer aan de criteria beantwoordt niet op vroegere winsten worden belast, aangezien die niet als echte winsten in de zin van artikel 183 WIB 1992 kunnen worden aangemerkt.
De twee stellingen hebben verschillende gevolgen. In het eerste geval leidt de niet naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde tot het heffen van een belasting. In het tweede geval kan geen enkele belasting worden opgelegd, aangezien geen wettelijke bepaling bestaat die in een belastbare grondslag voorziet en geen belasting kan worden ingevoerd dan door een wet (artikel 170 van de Grondwet).
In de praktijk wordt in het eerste geval het bedrag van het nettoactief ingeschreven als vrijgestelde gereserveerde winst (vak I., B., j) op het aangifteformulier in de vennootschapsbelasting, in het tweede geval wordt het bedrag van het nettoactief naar aanleiding van de eerste aangifte in de vennootschapsbelasting ingeschreven als «aanpassingen in meer van de begintoestand der reserves, andere» (vak I., A., j, derde streepje).
1. Welk beleid zal u in de toekomst ten aanzien van deze VZW's voeren ?
2. Bent u het eens met de tweede stelling of meent u dat de eerste stelling (of een andere stelling) van toepassing is op de winst die de VZW's hebben gemaakt onder het stelsel van de rechtspersonenbelasting voor ze in het stelsel van de vennootschapsbelasting belastbaar werden ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 21.03.2006)
Zonder in te gaan op de argumenten van het geachte lid, kan ik evenwel meedelen dat de winsten die voortkomen uit verrichtingen die door een VZW werden verwezenlijkt tijdens de periode waaraan zij aan de rechtspersonenbelasting was onderworpen, belaste reserves vormen op de eerste dag van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de betrokken VZW voor het eerst aan de vennootschapsbelasting onderworpen is.
De bestaande voorzieningen voor risico's en kosten die werden aangelegd tijdens de periode dat de VZW onderworpen was aan de rechtspersonenbelasting, moeten op datzelfde tijdstip eveneens als belaste reserves worden aangemerkt.
Voor het eerste jaar van de onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting, moeten deze bedragen worden opgenomen in de «Toestand van de belastbare gereserveerde winst bij het begin van het belastbare tijdperk (en dit onder hun eigen benaming)», eerder dan in aanpassing in meer van de begintoestand der reserves worden gebracht.
Ten slotte wens ik er aan te herinneren dat de verliezen geleden in de periode dat de VZW aan de rechtspersonenbelasting onderworpen was, niet meer kunnen worden afgetrokken van de belastbare grondslag in de vennootschapsbelasting.