Parlementaire vraag nr. 12 van de heer Steven Matheï van 29.10.2020
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/031 d.d. 16.12.2020, blz. 219
Fiscale consolidatie in een reorganisatiecontext
VRAAG (van de heer Matheï)
Vanaf aanslagjaar 2020 treedt de groepsbijdrage-regeling in werking. Groepsbijdragen zijn uitsluitend mogelijk tussen verbonden vennootschappen. Dit is het geval voor (i) Belgische moeder- en dochtervennootschappen met een rechtstreekse deelneming van minstens 90 % en (ii) tussen Belgische zustervennootschappen met een gemeenschappelijke moedervennootschap die is gevestigd in de Europese Economische Ruimte (EER) en die een rechtstreekse deelneming van minstens 90 % in beide zusters aanhoudt.
Veronderstel dat vennootschap A een 100 % deelneming aanhoudt in vennootschap B (verbondenheid categorie i) en dat vennootschap B eveneens een 100 % deelneming aanhoudt in vennootschap C (verbondenheid categorie i). Vennootschap B beslist om haar deelneming in vennootschap C te verkopen aan A. Na deze verhanging van de aandelen blijft vennootschap B onafgebroken verbonden met vennootschap C (verbondenheid categorie i vóór de transactie en categorie ii na de transactie).
De verbondenheid wordt op geen enkel moment doorbroken (vóór, tijdens of na de transactie). Aangezien de wet niet bepaalt dat de verbondenheid gedurende de 5-jaar houdperiode binnen dezelfde categorie van verbondenheid moet plaatsvinden, heeft de verhanging van de aandelen geen impact op de (houdperiode van de) verbondenheid tussen vennootschap B en vennootschap C.
Veronderstel daarnaast dat vennootschap A een 100 % deelneming aanhoudt in vennootschap B. Vennootschap B wordt partieel gesplitst waarbij een gedeelte van het vermogen van B wordt overgedragen naar vennootschap C, die werd opgericht ingevolge de partiële splitsing. Na de transactie zijn B en C verbonden vennootschappen (categorie ii). Op basis van de letterlijke bewoordingen van de fiscale fictiebepaling van artikel 205/5, § 2, lid 4 WIB92 moet C "gelijk worden gesteld" met B.
1. Kunt u bevestigen dat in de eerste situatie de verhanging van de aandelen geen impact heeft op de (houdperiode van de) verbondenheid tussen vennootschap B en vennootschap C? Zo neen, waarom niet?
2. a) Kunt u verduidelijken hoe in de tweede situatie de houdperiode van de verbondenheid tussen B en C moet worden beoordeeld, bij gebrek aan enig vergelijkingspunt?
b) Wordt er in de relatie tussen B en C abstractie gemaakt van de houdperiode en kunnen B en C meteen na de partiële splitsing groepsbijdragen verrichten? Of is het minstens vereist dat B al bestond op 1 januari van het vierde kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarin een groepsbijdrage wordt verricht?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
De regeling van de aftrek van de groepsbijdrage voorziet dat er een zogenaamde groepsbijdrage overeenkomst kan worden afgesloten tussen een belastingplichtige en een in aanmerking komende binnenlandse of buitenlandse vennootschap en die betrekking heeft op een bepaald aanslagjaar.
Een in aanmerking komende binnenlandse of buitenlandse vennootschap is een vennootschap die gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar, die aanvangt op 1 januari van het vierde kalenderjaar voor het kalenderjaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, verbonden is met de belastingplichtige.
Ik kan dan ook bevestigen dat de bedoelde verrichting in de eerste situatie van uw vraag geen weerslag heeft op de vijf jarige periode van verbondenheid aangezien ze niet wordt onderbroken.
De regeling van de groepsbijdrage heeft daarnaast specifieke bepalingen voorzien voor vennootschappen die betrokken zijn bij herstructureringen, inzonderheid wanneer het gaat om vennootschappen die een groepsbijdrage overeenkomst afsluiten maar die binnen de vijf jarige periode van verbondenheid werden opgericht naar aanleiding van een (partiële) splitsing door oprichting van een nieuwe vennootschap. In dat geval zal de vennootschap, die een groepsbijdrage overeenkomst afsluit, maar die binnen de vijf jarige periode van verbondenheid werd opgericht naar aanleiding van die (partiële) splitsing waarbij het totale of gedeeltelijke vermogen van één of meer vennootschappen overgaat op die nieuw opgerichte vennootschap, moeten aantonen dat elke vennootschap waarin het totale vermogen van de nieuw opgerichte vennootschap zich bevond vóór de uitwerking van die verrichting, eveneens voldoet aan de toepassingsvoorwaarde inzake de verbondenheid.
Ik kan u bevestigen dat ook de tweede situatie van uw vraag geen weerslag heeft op de vijf jarige periode van verbondenheid voor het afsluiten van een groepsovereenkomst tussen de vennootschap A en de vennootschap C en evenmin tussen de vennootschappen B en C onderling.
