Parlementaire vraag nr. 23450 van de heer Luk Van Biesen van 06.02.2018

Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2017-2018, CRIV 54 COM 812 d.d. 06.02.2018, blz. 15

De interpretatie van een recent ingevoerd wetsartikel over de belastingheffing van teruggenomen vrijgestelde voorzieningen

VRAAG (van de heer Van Biesen)

Mijnheer de minister, dit is de laatste vraag voor vandaag van de reeks over de interpretatie van de wet op de hervorming van de vennootschapsbelasting. Het is natuurlijk belangrijk dat een en ander verduidelijkt wordt. Ik wil de collega's er trouwens op wijzen dat heel wat van de vragen opgenomen worden in de syllabi als voorbeeld om de boekhouders en wie zich met fiscale aangiften bezighoudt, de aangiften juist te laten invullen. Door artikel 56 van de wet van 25 december 2017 inzake de hervorming van de vennootschapsbelasting werd een nieuw artikel 217/1, § 1, Wetboek Inkomstenbelasting ingevoerd. Het artikel voorziet erin dat het tarief van 33,99 % vennootschapsbelasting van toepassing blijft op het gedeelte van de in artikel 48 bedoelde vrijgestelde voorzieningen dat is teruggenomen. Het betreft enkel vrijgestelde voorzieningen die zijn aangelegd in het belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2017 en uiterlijk op 30 december 2020 afsluit. We begrijpen dat de maatregel ingevoerd werd om de aanleg van overtollige voorzieningen tijdens die periode niet te bevoordelen, doordat een terugname aan een gunstiger belastingtarief zou worden onderworpen. In een ontwerpadvies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen van 5 juli 2017 inzake voorzieningen wordt onder randnummer 55 het gebruik van een voorheen aangelegde voorziening besproken. Een voorziening zal worden besteed of teruggenomen, al dan niet gedeeltelijk, op het ogenblik waarop de kosten waarvoor de voorziening werd gevormd, het karakter krijgen van een zekere en vaststaande schuld of indien de gevormde voorziening groter is dan vereist op basis van een actuele beoordeling. In het randnummer 56 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen wordt verder verduidelijkt dat een voorziening moet worden teruggenomen, zodra duidelijk wordt dat de waarschijnlijke of zekere kosten of verliezen niet gerealiseerd zullen worden of wanneer het niet waarschijnlijk is dat ze gerealiseerd zullen worden. Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat het begrip teruggenomen zoals vermeld in artikel 217/1, geïnterpreteerd moet worden zoals bepaald in het ontwerpadvies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen van 5 juli 2017 inzake voorzieningen en artikel 217/1, § 1, dus geen toepassing vindt bij de besteding van een voorheen aangelegde voorziening?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Mijnheer Van Biesen, het antwoord is iets complexer. In uw vraag verwijst u naar een ontwerpadvies, waarover ik mij op dit moment helaas niet kan uitspreken. Naast de boekhoudkundige regels bestaan er ook specifieke fiscale regels inzake voorzieningen. Om het aanleggen van een voorziening om louter fiscale redenen te vermijden, is bepaald dat een voorziening die wordt teruggenomen omdat de kosten waarvoor zij werd aangelegd, zich niet voordoen, fiscaal als een winst van dat tijdperk moeten worden aangemerkt. Ingevolge de nieuwe bepalingen zal de belastingheffing 33,99 % of 29,58 % bedragen. De aanwending van een in artikel 48 van het WIB 1992 terecht aangelegde voorziening wordt niet beoogd door de nieuwe bepaling in artikel 2017/1.

Luk Van Biesen : Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.