Parlementaire vraag nr. 285 van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh van 07.03.2013

Parlementaire vraag nr. 285 van mevrouw Kristien Van Vaerenbergh dd. 07.03.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/156 dd. 14.04.2014, blz. 227

De roerende inkomsten van de gemeenten

VRAAG (van mevrouw Van Vaerenbergh)

Sinds halverwege 2011 worden sommige gemeenten geconfronteerd met de belastingdiensten waarbij er gekeken wordt of de gemeenten hun fiscale verplichtingen als werkgever correct vervullen. Daarnaast krijgen ze ook vragen over hun zogezegde roerende inkomsten: ontvangsten uit de verhuur van feestmateriaal of boeken, cd's of dvd's in de bibliotheek, inkomsten uit standgelden van markten en kermissen, inkomsten uit de verhuur van stukken van een grond of gebouw voor gsm-antennes en -masten, inkomsten uit diverse concessies, inkomsten uit parkeergelden, belastingen op terrassen, enzovoort. In een aantal gevallen oordeelt de fiscus dat die inkomsten roerend zijn en dat de gemeente derhalve op basis van artikel 220 WIB 1992 onderworpen moet worden aan de roerende voorheffing. Voorheen werden de gemeenten nog nooit aangesproken op het verschuldigd zijn van enige roerende voorheffing op dergelijke inkomsten. Nu worden ze geconfronteerd met aanslagen van ambstwege. In antwoord op een parlementaire vraag van 31 januari 2013 van senator Depadt (zie: www.senate.be) stelde de minister dat de wet moest nageleefd worden, ook door gemeenten. In de praktijk blijkt echter dat er een grondige verscheidenheid op het terrein bestaat: - sommige gemeenten worden aangesproken, andere niet; - voorheen waren er geen aanslagen, nu wel; - de basis waarop de aanslag gevestigd wordt, verschilt van controle tot controle; - sommige controleurs aanvaarden aftrekken voor kosten, andere niet; - sommige controleurs stellen dat er voorheffing dient ingehouden te worden, anderen eisen dit niet. Met andere woorden: onduidelijkheid en willekeur zijn troef en dit in een zaak van belastingwetgeving.

1. Is het grondwettelijk, dan wel wettelijk, dat de FOD Financiën belastingen zou innen op belastingen en retributies die door een andere grondwettelijke of wettelijke entiteit, met name de gemeenten, geheven wordt?

2. Dient u er in ieder geval niet minstens voor te zorgen dat de FOD Financiën een duidelijke tekst maakt die alleszins volgende elementen bevat, voor zover het optreden van de FOD Financiën grondwettelijk en wettelijk correct zou zijn:

a) Welke gemeentelijke inkomsten worden belast en in welke gevallen?

b) Zijn gemeenten al dan niet aangifteplichtig?

c) Wordt er gewerkt met een voorheffing die moet worden ingehouden door de genieter of niet?

d) In welke mate worden er kosten ingebracht waardoor het te betalen bedrag verkleint?

3. Meent u niet dat in het kader van "goed bestuur" het aangewezen is dat vooraleer FOD Financiën inzake optreedt, er overleg zou zijn met het syndicaat van de gemeenten de VVSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten)?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

1. Het Grondwettelijk Hof is exclusief bevoegd om wetskrachtige normen (wetten, decreten, ordonnanties, enzovoort) te toetsen. Een zaak kan slechts aanhangig worden gemaakt, hetzij door een beroep tot vernietiging dat kan worden ingesteld door iedere bij wet aangewezen overheid of door eenieder die doet blijken van een belang, hetzij prejudicieel door ieder rechtscollege.

2. De gemeenten zij vrijgesteld van het indienen van een aangifte in de rechtspersonenbelasting. Ze zijn slechts belastbaar op hun onroerende inkomsten, hun inkomsten uit roerende goederen en kapitalen en hun diverse inkomsten van roerende aard. Dienaangaande zijn ze, in voorkomend geval, ertoe gehouden een aangifte in de roerende voorheffing in te dienen en deze voorheffing als schuldenaar of als verkrijger van de inkomsten te voldoen. Voor wat betreft de bedragen die door een gemeente worden verkregen en die te beschouwen zijn als inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen (hierna, vergoedingen), moet de schuldenaar van de inkomsten, op basis van een behoorlijk ingevulde aangifte, de roerende voorheffing aan de bron inhouden en deze storten in de Schatkist overeenkomstig de algemene regel die van toepassing is op de inkomsten van roerende goederen en kapitalen. Zoals mijn voorganger reeds aan het geachte lid heeft meegedeeld, heeft mijn administratie er geen bezwaar tegen dat de verkrijger de verplichtingen inzake roerende voorheffing in naam en voor rekening van de schuldenaar van de inkomsten in de roerende voorheffing vervult en dit in toepassing van een uitdrukkelijk mandaat (zie mondelinge vraag nr. 10141 van het geachte lid, (Integraal Verslag Kamer, 2011/2012, commissie voor de Financiën en de Begroting, 20 maart 2012, CRIV 53 COM 438, blz. 30). Die manier van handelen heeft geen invloed op de aanduiding van de schuldenaar van de inkomsten als schuldenaar van de roerende voorheffing. In dit verband werden er tegenstrijdige situaties waargenomen met betrekking tot het principiële standpunt dat hier in herinnering wordt gebracht, en dat thans door mijn Administratie wordt verdedigd voor het Hof van Cassatie in het kader van een voorziening die werd ingediend tegen het arrest van 13 maart 2012 van het hof van beroep van Antwerpen. Overigens zijn sinds 1 januari 2012 de inkomsten verkregen uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is te gebruiken om er apparaten van mobiele telefonie te installeren op systematische wijze belastbaar als diverse inkomsten van roerende aard. Wanneer dergelijke inkomsten worden toegekend aan belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, zoals de gemeenten, moet de roerende voorheffing worden voldaan door de verkrijger van de inkomsten binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de laatste dag van het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben (namelijk, als algemene regel voor de 15e januari van het jaar dat volgt op het jaar van de inning van de inkomsten). Tot en met 31 december 2011 werden de voormelde inkomsten, in de meeste gevallen, gerangschikt onder de onroerende inkomsten (zie het antwoord op de parlementaire vraag nr. 248 van 26 januari 2011 gesteld door mevrouw de volksvertegenwoordiger Leen Dierick, (Vragen en Antwoorden Kamer, 2010/2011, nr. 30, blz. 9). Voor wat betreft de twee voormelde categorieën van inkomsten, namelijk de hoger bedoelde "vergoedingen" en de inkomsten die verbonden zijn met de installatie van apparaten van mobiele telefonie stemt het belastbaar bedrag overeen met het netto-inkomen, namelijk het brutobedrag verminderd met de werkelijke kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verkrijgen of te behouden. Bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair geraamd.

3. Wat betreft de controles, wordt verwezen naar de door het Rekenhof in 2003 verrichte audit naar de fiscale controle op de niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersonen. Als gevolg daarvan heeft de administratie de controle op de rechtspersonenbelasting, waaronder de gemeenten vallen, grondig hervormd en in 2008 veertien specifieke diensten opgericht . Het is dus logisch dat ook de gemeenten het effect daarvan ondervinden. Uit een overleg met onder andere de VVSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten) blijkt dat er effectief nood is aan informatie. Ik heb dan ook aan mijn administratie opdracht gegeven om de nodige informatie te verstrekken via de verenigingen van gemeenten en provincies.