Parlementaire vraag nr. 748 van de heer Hatry van 21.04.1994

VRAAG 94/748

Vraag nr. 748 van de heer Hatry dd. 21.04.1994


Bull. nr. 744, blz. 3386

Akte - Herkwalificatie van een akte - Belastingontwijking

- Bewijsmiddel van de Administratie

VRAAG

Practici zullen zeker met verbazing in de circulaire met betrekking tot de antimisbruikmaatregel, die is ingevoerd bij de wet van 22 juli 1993, opgemerkt hebben dat de bedoeling ervan de rechtszekerheid zou zijn.

Wat de bewijslast betreft, lijkt het bestuur zich te beperken tot de motivatie van de belastingplichtige. Wellicht voegt het eraan toe dat het "in de praktijk" de verdachte handeling(en) zal moeten herkwalificeren. Vreemd genoeg lijkt het probleem van het bewijs in dat stadium verdwenen te zijn :

  • Het bestuur zou kunnen "kiezen" voor de kwalificering die "een" belastinggrondslag herstelt (nr. 15 van de circulaire);
  • Het bestuur zou bevoegd zijn te "kiezen" voor "een" kwalificering die een "rechtvaardige" inning van de belasting herstelt (nr. 22 van de circulaire).
Ik denk dat hier enige verwarring bestaat.

Het Hof van cassatie herinnert eraan, en het bestuur citeert dit ook, dat het nieuwe artikel 170 van de Grondwet bepaalt dat "geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet". Het zou onaanvaardbaar zijn dat het bestuur, al naar gelang het hem schikt, kan "kiezen" voor een kwalificering zonder daarvoor een bewijs te leveren volgens de door het gemeenrecht aangenomen middelen. Dat zou de deur openzetten voor willekeur. Het zou nog meer onaanvaardbaar zijn dat onderscheiden handelingen die door de belastingplichtige gesteld zijn en beschouwd worden als één transactie meermaals kunnen worden geherkwalificeerd. De regels volgens welke het hoofdbestuur moet worden geraadpleegd, zal uiteraard niets veranderen aan het rechtsprobleem.

De circulaire presiceert dat de antimisbruikmaatregel voor het bestuur een vijfde mogelijkheid is om te "(her)kwalificeren", naast de vier bestaande gevallen. Ik meen dat elk van de vier geciteerde gevallen impliceert dat de bewijslast bij het bestuur rust. Men kan zich moeilijk voorstellen dat het voor het vijfde geval anders zou zijn.

Mag ik u dan ook vragen welke bewijslast het bestuur heeft in het stadium van de herkwalificering en welke controlebevoegdheid de rechtbanken volgens hem ter zake hebben ?

ANTWOORD

Tot al wat nuttig is wordt eraan herinnerd dat, volgens artikel 344, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, aan de administratie der Directe Belastingen niet kan worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340 van hetzelfde wetboek vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt.

Om voornoemd artikel 344, § 1, toe te passen moet de administratie der Directe Belastingen in staat zijn de verdachte akte of akten opnieuw te kwalificeren om zo de juiste belastingheffing te herstellen, met dien verstande dat deze herkwalificatie rekening zal houden met de gevolgen van de operatie vastgesteld vanuit de feiten en vanuit het nagestreefde doel (Parlementaire Stukken, Senaat, zitting 1992-1993, nr. 762-2, blz. 37).

De op die wijze tot stand gebracht herkwalificatie is onderworpen aan het oordeel van de gewestelijke directeur van de belastingen in geval van bezwaar, of van de hoven in geval van verhaal.