Parlementaire vraag nr. 679 van de heer Daerden van 15.03.1994
VRAAG 94/679
Vraag nr. 679 van de heer Daerden dd. 15.03.1994
Bull. nr. 741, pag. 2055
Abnormale of goedgunstige voordelen - Fiscale en financiële bepalingen 1993 - Kwalificatie van een akte - Intercommunale - Dividend
In uw antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 404 die ik vroeger over deze zaak heb gesteld, verklaart u : "De algemene anti- rechtsmisbruikbepaling regelt niet de toestand van contracten die zijn gesloten vóór 31 maart 1993. Dit is in principe het geval voor de produktiedividenden."
Daarom stel ik mijn vraag opnieuw en geef ik er een korte verklaring bij.
Het dividend, zoals dat in het fiscaal recht wordt beschouwd, wordt vastgesteld bij een beslissing van de algemene vergadering wanneer die zich jaarlijks uitspreekt over de bestemming van de winsten van het boekjaar.
De uitkering van dividenden heeft derhalve geen automatisch karakter : die beslissing van de algemene vergadering is het juridisch feit dat het dividend doet ontstaan.
De wijze waarop u echter in uw antwoord op mijn vraag nr. 404 het woord "contract" gebruikt, in samenhang met het woord dividend, verbaast mij. Ik zou dan ook graag meer inlichtingen krijgen over de volgende punten :
1. Is volgens uw redenering het produktiedividend dat door de intercommunales wordt toegekend, een dividend in de gewone betekenis van het woord ? Uit uw antwoord zou kunnen worden afgeleid dat zulks niet het geval is.
2. Als het niet om een dividend gaat, welke juridische kwalificatie moet dan aan die bedragen worden gegeven, gelet op bovengenoemde redenering ? Gaat het om een soort "transferprijs" ? Aan welke realiteit beantwoordt het woord "contract" in uw redenering ?
3. In 1997 verloopt het statuut van sommige gemengde intercommunales voor elektriciteitsvoorziening. Welke houding zal uw bestuurder aannemen met betrekking tot de vernieuwing van de genoemde contracten ?
ANTWOORD
De door het geachte lid gestelde vraag laat mij toe om tegelijkertijd een essentiële voorwaarde voor de toepassing van artikel 344, § 1, WIB, verbonden met de inwerkingtreding ervan, toe te lichten en een duidelijk onderscheid te maken tussen dividenden en abnormale en goedgunstige voordelen.
Artikel 23, § 4, van de wet van 22 juli 1993 bepaalt dat de anti- rechtsmisbruikmaatregel van toepassing is op de akten die vanaf 31 maart 1993 gesloten zijn. Bijgevolg worden uitgesloten van de nieuwe bepaling, alle vóór 31 maart 1993 gesloten overeenkomsten, zelfs indien die overeenkomsten nog gevolgen hebben na die datum.
Artikel 1832 van het Burgerlijk Wetboek definieert het vennootschapscontract als het in gemeenschap brengen van vermogen om de winsten te verdelen die hieruit kunnen voortvloeien. In die zin is het dividend de (onzekere) vergoeding van een inbreng : het recht op het dividend is open door de beslissing van de algemene vergadering maar vloeit voort uit het vennootschapscontract.
Het dividend vormt overigens voor de aandeelhouder een voordeel in de zin van artikel 18, WIB, maar kan nooit een abnormaal of goedgunstig voordeel zijn in de zin van artikel 26 van hetzelfde wetboek, omdat het een vergoeding is voor de inbreng.
Na deze inleiding, kom ik toe aan de drie punten van zijn vraag.
1. In de veronderstelling dat de inbreng vóór 31 maart 1993 gebeurde, kan de anti-rechtmisbruikmaatregel niet van toepassing zijn, ook niet op dividenden die na deze datum uitgekeerd zijn. Ik bevestig dus het antwoord dat ik verstrekt heb op de vraag nr. 404 van 9 juni 1993 gesteld door het geachte lid (bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 74 van 21 september 1993, gewone zitting 1992-1993, blz. 3854).
2. Naar aanleiding van de vraag nr. 302 van 9 maart 1993 van senator Cooreman (bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 52 van 13 april 1993, gewone zitting 1992-1993, blz. 2457 - Bull. 729), heb ik bevestigd dat artikel 26, WIB, in principe niet wordt toegepast wanneer de begunstigde van het voordeel een Belgische vennootschap is die aan de vennootschapsbelasting onderworpen wordt. Dit is hier het geval. Ik heb trouwens nooit beweerd dat de toekenning van een produktiedividend, op zichzelf, een abnormaal of goedgunstig voordeel vormt.
3. Aangezien, tenslotte, de statutaire wijziging die in uw vraag in het vooruitzicht van 1997 vermeld wordt, niet anders verduidelijkt wordt wat de inhoud ervan betreft, is het voor mij onmogelijk mij uit te spreken over eenvoudige hypothesen.
Vraag nr. 679 van de heer Daerden dd. 15.03.1994
Bull. nr. 741, pag. 2055
Abnormale of goedgunstige voordelen - Fiscale en financiële bepalingen 1993 - Kwalificatie van een akte - Intercommunale - Dividend
In uw antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 404 die ik vroeger over deze zaak heb gesteld, verklaart u : "De algemene anti- rechtsmisbruikbepaling regelt niet de toestand van contracten die zijn gesloten vóór 31 maart 1993. Dit is in principe het geval voor de produktiedividenden."
Daarom stel ik mijn vraag opnieuw en geef ik er een korte verklaring bij.
Het dividend, zoals dat in het fiscaal recht wordt beschouwd, wordt vastgesteld bij een beslissing van de algemene vergadering wanneer die zich jaarlijks uitspreekt over de bestemming van de winsten van het boekjaar.
De uitkering van dividenden heeft derhalve geen automatisch karakter : die beslissing van de algemene vergadering is het juridisch feit dat het dividend doet ontstaan.
De wijze waarop u echter in uw antwoord op mijn vraag nr. 404 het woord "contract" gebruikt, in samenhang met het woord dividend, verbaast mij. Ik zou dan ook graag meer inlichtingen krijgen over de volgende punten :
1. Is volgens uw redenering het produktiedividend dat door de intercommunales wordt toegekend, een dividend in de gewone betekenis van het woord ? Uit uw antwoord zou kunnen worden afgeleid dat zulks niet het geval is.
2. Als het niet om een dividend gaat, welke juridische kwalificatie moet dan aan die bedragen worden gegeven, gelet op bovengenoemde redenering ? Gaat het om een soort "transferprijs" ? Aan welke realiteit beantwoordt het woord "contract" in uw redenering ?
3. In 1997 verloopt het statuut van sommige gemengde intercommunales voor elektriciteitsvoorziening. Welke houding zal uw bestuurder aannemen met betrekking tot de vernieuwing van de genoemde contracten ?
ANTWOORD
De door het geachte lid gestelde vraag laat mij toe om tegelijkertijd een essentiële voorwaarde voor de toepassing van artikel 344, § 1, WIB, verbonden met de inwerkingtreding ervan, toe te lichten en een duidelijk onderscheid te maken tussen dividenden en abnormale en goedgunstige voordelen.
Artikel 23, § 4, van de wet van 22 juli 1993 bepaalt dat de anti- rechtsmisbruikmaatregel van toepassing is op de akten die vanaf 31 maart 1993 gesloten zijn. Bijgevolg worden uitgesloten van de nieuwe bepaling, alle vóór 31 maart 1993 gesloten overeenkomsten, zelfs indien die overeenkomsten nog gevolgen hebben na die datum.
Artikel 1832 van het Burgerlijk Wetboek definieert het vennootschapscontract als het in gemeenschap brengen van vermogen om de winsten te verdelen die hieruit kunnen voortvloeien. In die zin is het dividend de (onzekere) vergoeding van een inbreng : het recht op het dividend is open door de beslissing van de algemene vergadering maar vloeit voort uit het vennootschapscontract.
Het dividend vormt overigens voor de aandeelhouder een voordeel in de zin van artikel 18, WIB, maar kan nooit een abnormaal of goedgunstig voordeel zijn in de zin van artikel 26 van hetzelfde wetboek, omdat het een vergoeding is voor de inbreng.
Na deze inleiding, kom ik toe aan de drie punten van zijn vraag.
1. In de veronderstelling dat de inbreng vóór 31 maart 1993 gebeurde, kan de anti-rechtmisbruikmaatregel niet van toepassing zijn, ook niet op dividenden die na deze datum uitgekeerd zijn. Ik bevestig dus het antwoord dat ik verstrekt heb op de vraag nr. 404 van 9 juni 1993 gesteld door het geachte lid (bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 74 van 21 september 1993, gewone zitting 1992-1993, blz. 3854).
2. Naar aanleiding van de vraag nr. 302 van 9 maart 1993 van senator Cooreman (bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 52 van 13 april 1993, gewone zitting 1992-1993, blz. 2457 - Bull. 729), heb ik bevestigd dat artikel 26, WIB, in principe niet wordt toegepast wanneer de begunstigde van het voordeel een Belgische vennootschap is die aan de vennootschapsbelasting onderworpen wordt. Dit is hier het geval. Ik heb trouwens nooit beweerd dat de toekenning van een produktiedividend, op zichzelf, een abnormaal of goedgunstig voordeel vormt.
3. Aangezien, tenslotte, de statutaire wijziging die in uw vraag in het vooruitzicht van 1997 vermeld wordt, niet anders verduidelijkt wordt wat de inhoud ervan betreft, is het voor mij onmogelijk mij uit te spreken over eenvoudige hypothesen.
Bron: FisconetPlus
