Parlementaire vraag nr. 392 van mevrouw Pieters van 17.07.2001
VRAAG 01/392
Vraag nr. 392 van mevrouw Pieters dd. 17.07.2001
Bull. nr. 824, pag. 1065
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 93, blz. 10613
Afschrift van een bestuursdocument - Inzagerecht
VRAAG
Luidens het nr. 3.7.1 van de circulaire nr. Ci.RH.835/502.739 van 9 januari 1998 uitgaande van de administratie van Fiscale Zaken (zie : Bulletin der belastingen, nr. 779/2.98) mag de belastingplichtige bij de consultatie van zijn belastingdossier op eigen kosten fotokopieën nemen zonder dat die stukken evenwel worden verplaatst of beschadigd.
Terzake blijven bij voortduur toch de volgende algemene praktische vragen opduiken.
1.
a) Op welke wijze acht die fiscale administratie het praktisch mogelijk of haalbaar dat de belastingplichtigen « op eigen kosten » fotokopieën kunnen nemen wanneer de gewenste stukken toch helemaal niet mogen verplaatst worden?
b) Hoe interpreteert u in voornoemde optiek het begrip « op eigen kosten» dan wel?
c) Welke klantgerichte initiatieven zullen er weldra worden genomen opdat belastingplichtigen op eigen kosten en op een eenvoudige wijze thuis goedkoper fotokopieën zouden kunnen nemen, zonder dat daarbij nog een massa aan extra administratieve formaliteiten zouden moeten vervuld worden?
2.
a) Is het inderdaad niet mogelijk om de belastingplichtigen onder streng toezicht van de fiscale ambtenaren de praktische mogelijkheid te bieden het kopiëren volledig op eigen kosten te laten uitvoeren op het adres van hun woonplaats, op het adres van de maatschappelijke zetel of ten huize van hun gevolmachtigd fiscaal raadgever ?
b) Zo neen, waarom niet?
c) Het is u allicht wel bekend dat het merendeel van de belastingplichtigen er overigens ook geen enkel praktisch bezwaar tegen heeft om alle boeken en bescheiden spontaan naar de belastingambtenaren te brengen, dit in weerwil van de dwingende bepalingen van artikel 315, eerste lid, WIB 1992. Waarom zouden uw fiscale administraties op dat vlak dan ook geen identieke tolerantie kunnen of mogen betonen? Het actieterrein van de fiscale ambtenaren ligt trouwens toch voornamelijk bij de belastingplichtigen zelf.
3. Kan u uw algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen getuigend van een nieuwe fiscale cultuur houdende vereenvoudiging van de fiscale procedures en in het licht van zowel de bepalingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur als van een klantvriendelijk openbaar beleid en billijk bestuur ?
ANTWOORD
1. De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur kent de openbaarheid toe onder twee vormen, namelijk het recht op het raadplegen van een bestuursdocument en een recht op het ontvangen van een afschrift van het document. Artikel 4 van deze wet verduidelijkt dat hieronder moet verstaan worden dat de aanvrager elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dienomtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift ervan kan ontvangen. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten werd uiteengezet dat vier aspecten kunnen worden onderscheiden: het inzagerecht waarbij de verzoeker ter plaatse het document inkijkt, het recht op een afschrift ter plaatse, het mededelingsrecht en het recht op uitleg (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 871/1, 6).
De inhoud van nr. 3.7.1 van de circulaire nr. Ci.RH.835/502.739 van 9 januari 1998 uitgaande van de administratie van Fiscale Zaken (Bulletin der belastingen, nr. 779/2.98) moet volledig in dit licht gelezen worden. De wet laat bijgevolg toe voor zover de technische uitrusting daarvoor voorhanden is, dat een aanvrager zelf ter plaatse kopies maakt. Dat deze fotokopieën genomen worden op eigen kosten houdt in dat hij voor het gebruik van de nodige apparatuur een vergoeding moet betalen die in elk geval niet meer kan bedragen dan de bedragen die vastgelegd zijn in het koninklijk besluit van 30 augustus 1996 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument (Belgisch Staatsblad, 20 september 1996, blz. 24504-24505).
De federale wetgeving laat niet toe dat de aanvrager een bestuursdocument zou uitlenen. Het is immers zeer de vraag of zoiets wel wenselijk is omdat het in de praktijk een zeer zware administratieve last met zich meebrengt en er moeilijk voldoende garanties kunnen ingebouwd worden om te voorkomen dat bepaalde stukken zouden verdwijnen of ernstig beschadigd worden. Bovendien kunnen bepaalde documenten niet zomaar meegegeven worden omdat ze nog in behandeling zijn bij de administratie. De situatie ligt natuurlijk anders in geval van gedigitaliseerde documenten. In het kader van de ontwikkeling van e-government zal onderzocht worden op welke wijze gebruik kan gemaakt worden van het internet om documenten te versturen die de aanvrager zonder veel problemen kan uitprinten.
2. De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur werd gezien als een middel om «te komen tot een fundamentele heroriëntatie in de relatie tussen burger en bestuur, zowel op het vlak van de dienstverlening ten aanzien van het publiek als op het vlak van de democratie. (...) De voorgestelde maatregelen moeten leiden tot een meer toegankelijke en gebruikersvriendelijke administratie, tot openheid en het doorbreken van het wantrouwen en het onbegrip van de burger ten aanzien van een overheid waar moeilijk zicht op te krijgen is, tot het mondiger maken van de burger in het verdedigen van zijn rechten, tot het versterken van de controle van buitenuit op het functioneren van de uitvoerende macht en tot het verhogen van de mogelijkheden van de burger tot tussenkomst in het besluitvormingsproces » (Parl. st., Kamer, 1992-1993, nr. 1112/1, 1).
Toch mag men er niet aan voorbijgaan dat de wetgever met deze wet een evenwicht heeft betracht tussen, enerzijds, het fundamenteel recht van de burger op de toegang tot bestuursdocumenten en, anderzijds, de bescherming van het algemeen belang, van bepaalde particuliere belangen en van de werking van de administratie. De uitoefening van het recht van toegang mag niet voor gevolg hebben dat de administratie in aanzienlijke mate zou gehinderd worden in de uitoefening van haar taken. Dit betekent evenwel niet dat de administratie zich niet moet organiseren om tegemoet te kunnen komen aan het recht van toegang van de burger. Bovendien werd erop gewezen dat «de effectieve toepassing van de beginselen een mentaliteitswijziging vereist zowel in hoofde van het bestuur als in hoofde van politici en bestuurden». Toch werd beklemtoond dat «een wettelijke regeling niet volstaat op zichzelf, maar er wel de voedingsbodem voor vormt en de nodige stimulans inhoudt» (Parl. st., Kamer, 1992-1993, nr. 1112/1, 7). Een lange weg werd reeds afgelegd in de verschillende federale administraties. De ervaring in andere landen die reeds langer een openbaarheidswetgeving hebben leert dat de mentaliteitswijziging die hiermee gepaard dient te gaan, ook de nodige tijd vergt.
Alhoewel de uitgangspunten van de wet van 11 april 1994 geen aanpassing hoeven, is een bijsturing van deze wet zonder twijfel wenselijk rekening houdend met de ervaring die met deze wet werd opgedaan, met het streven naar administratieve vereenvoudiging en met de ontwikkelingen op het vlak van e-government. Een ad hoc-werkgroep bestaande uit academici en leden van de administratie werd opgericht om terzake voorstellen te formuleren.
Vraag nr. 392 van mevrouw Pieters dd. 17.07.2001
Bull. nr. 824, pag. 1065
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 93, blz. 10613
Afschrift van een bestuursdocument - Inzagerecht
VRAAG
Luidens het nr. 3.7.1 van de circulaire nr. Ci.RH.835/502.739 van 9 januari 1998 uitgaande van de administratie van Fiscale Zaken (zie : Bulletin der belastingen, nr. 779/2.98) mag de belastingplichtige bij de consultatie van zijn belastingdossier op eigen kosten fotokopieën nemen zonder dat die stukken evenwel worden verplaatst of beschadigd.
Terzake blijven bij voortduur toch de volgende algemene praktische vragen opduiken.
1.
a) Op welke wijze acht die fiscale administratie het praktisch mogelijk of haalbaar dat de belastingplichtigen « op eigen kosten » fotokopieën kunnen nemen wanneer de gewenste stukken toch helemaal niet mogen verplaatst worden?
b) Hoe interpreteert u in voornoemde optiek het begrip « op eigen kosten» dan wel?
c) Welke klantgerichte initiatieven zullen er weldra worden genomen opdat belastingplichtigen op eigen kosten en op een eenvoudige wijze thuis goedkoper fotokopieën zouden kunnen nemen, zonder dat daarbij nog een massa aan extra administratieve formaliteiten zouden moeten vervuld worden?
2.
a) Is het inderdaad niet mogelijk om de belastingplichtigen onder streng toezicht van de fiscale ambtenaren de praktische mogelijkheid te bieden het kopiëren volledig op eigen kosten te laten uitvoeren op het adres van hun woonplaats, op het adres van de maatschappelijke zetel of ten huize van hun gevolmachtigd fiscaal raadgever ?
b) Zo neen, waarom niet?
c) Het is u allicht wel bekend dat het merendeel van de belastingplichtigen er overigens ook geen enkel praktisch bezwaar tegen heeft om alle boeken en bescheiden spontaan naar de belastingambtenaren te brengen, dit in weerwil van de dwingende bepalingen van artikel 315, eerste lid, WIB 1992. Waarom zouden uw fiscale administraties op dat vlak dan ook geen identieke tolerantie kunnen of mogen betonen? Het actieterrein van de fiscale ambtenaren ligt trouwens toch voornamelijk bij de belastingplichtigen zelf.
3. Kan u uw algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen getuigend van een nieuwe fiscale cultuur houdende vereenvoudiging van de fiscale procedures en in het licht van zowel de bepalingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur als van een klantvriendelijk openbaar beleid en billijk bestuur ?
ANTWOORD
1. De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur kent de openbaarheid toe onder twee vormen, namelijk het recht op het raadplegen van een bestuursdocument en een recht op het ontvangen van een afschrift van het document. Artikel 4 van deze wet verduidelijkt dat hieronder moet verstaan worden dat de aanvrager elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dienomtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift ervan kan ontvangen. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten werd uiteengezet dat vier aspecten kunnen worden onderscheiden: het inzagerecht waarbij de verzoeker ter plaatse het document inkijkt, het recht op een afschrift ter plaatse, het mededelingsrecht en het recht op uitleg (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 871/1, 6).
De inhoud van nr. 3.7.1 van de circulaire nr. Ci.RH.835/502.739 van 9 januari 1998 uitgaande van de administratie van Fiscale Zaken (Bulletin der belastingen, nr. 779/2.98) moet volledig in dit licht gelezen worden. De wet laat bijgevolg toe voor zover de technische uitrusting daarvoor voorhanden is, dat een aanvrager zelf ter plaatse kopies maakt. Dat deze fotokopieën genomen worden op eigen kosten houdt in dat hij voor het gebruik van de nodige apparatuur een vergoeding moet betalen die in elk geval niet meer kan bedragen dan de bedragen die vastgelegd zijn in het koninklijk besluit van 30 augustus 1996 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument (Belgisch Staatsblad, 20 september 1996, blz. 24504-24505).
De federale wetgeving laat niet toe dat de aanvrager een bestuursdocument zou uitlenen. Het is immers zeer de vraag of zoiets wel wenselijk is omdat het in de praktijk een zeer zware administratieve last met zich meebrengt en er moeilijk voldoende garanties kunnen ingebouwd worden om te voorkomen dat bepaalde stukken zouden verdwijnen of ernstig beschadigd worden. Bovendien kunnen bepaalde documenten niet zomaar meegegeven worden omdat ze nog in behandeling zijn bij de administratie. De situatie ligt natuurlijk anders in geval van gedigitaliseerde documenten. In het kader van de ontwikkeling van e-government zal onderzocht worden op welke wijze gebruik kan gemaakt worden van het internet om documenten te versturen die de aanvrager zonder veel problemen kan uitprinten.
2. De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur werd gezien als een middel om «te komen tot een fundamentele heroriëntatie in de relatie tussen burger en bestuur, zowel op het vlak van de dienstverlening ten aanzien van het publiek als op het vlak van de democratie. (...) De voorgestelde maatregelen moeten leiden tot een meer toegankelijke en gebruikersvriendelijke administratie, tot openheid en het doorbreken van het wantrouwen en het onbegrip van de burger ten aanzien van een overheid waar moeilijk zicht op te krijgen is, tot het mondiger maken van de burger in het verdedigen van zijn rechten, tot het versterken van de controle van buitenuit op het functioneren van de uitvoerende macht en tot het verhogen van de mogelijkheden van de burger tot tussenkomst in het besluitvormingsproces » (Parl. st., Kamer, 1992-1993, nr. 1112/1, 1).
Toch mag men er niet aan voorbijgaan dat de wetgever met deze wet een evenwicht heeft betracht tussen, enerzijds, het fundamenteel recht van de burger op de toegang tot bestuursdocumenten en, anderzijds, de bescherming van het algemeen belang, van bepaalde particuliere belangen en van de werking van de administratie. De uitoefening van het recht van toegang mag niet voor gevolg hebben dat de administratie in aanzienlijke mate zou gehinderd worden in de uitoefening van haar taken. Dit betekent evenwel niet dat de administratie zich niet moet organiseren om tegemoet te kunnen komen aan het recht van toegang van de burger. Bovendien werd erop gewezen dat «de effectieve toepassing van de beginselen een mentaliteitswijziging vereist zowel in hoofde van het bestuur als in hoofde van politici en bestuurden». Toch werd beklemtoond dat «een wettelijke regeling niet volstaat op zichzelf, maar er wel de voedingsbodem voor vormt en de nodige stimulans inhoudt» (Parl. st., Kamer, 1992-1993, nr. 1112/1, 7). Een lange weg werd reeds afgelegd in de verschillende federale administraties. De ervaring in andere landen die reeds langer een openbaarheidswetgeving hebben leert dat de mentaliteitswijziging die hiermee gepaard dient te gaan, ook de nodige tijd vergt.
Alhoewel de uitgangspunten van de wet van 11 april 1994 geen aanpassing hoeven, is een bijsturing van deze wet zonder twijfel wenselijk rekening houdend met de ervaring die met deze wet werd opgedaan, met het streven naar administratieve vereenvoudiging en met de ontwikkelingen op het vlak van e-government. Een ad hoc-werkgroep bestaande uit academici en leden van de administratie werd opgericht om terzake voorstellen te formuleren.
Bron: FisconetPlus
