Parlementaire vraag nr. 477 van de heer Joris Vandenbroucke van 02.06.2021

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/062 d.d. 06.09.2021, blz. 239

Belasting festivals

VRAAG (van de heer Vandenbroucke)

Wij vangen een aantal ongeruste signalen op uit de festivalsector. De meeste kleine en middelgrote festivals werken met een vzw-structuur en betalen belastingen op hun inkomsten onder de rechtspersonenbelasting. In 2020 kregen enkele festivals van uw belastingadministratie echter de boodschap dat zij toch onder de vennootschapsbelasting belast zullen worden, met als argument dat hun festival als hoofdactiviteit van winstgevende aard wordt beschouwd. Die beslissing wordt retroactief een aantal jaar terug toegepast. U zult ten eerste begrijpen dat dit voor die specifieke festivalorganisatoren, die al geen inkomsten hadden in 2020 en zeer waarschijnlijk ook niet in 2021, een bijkomende klap is bovenop de coronacrisis. Maar de onrust in de festivalsector is algemener van aard. Een onderwerping aan de vennootschapsbelasting maakt het immers onmogelijk om nog met vrijwilligersvergoedingen te werken. Toch een hoeksteen van het rijke festivalgebeuren in Vlaanderen. Vaak wordt de toekenning van subsidies voor festivals ook gekoppeld aan het nastreven van een onbaatzuchtig doel. Als zij door de belastingadministratie geacht worden een winstgevende activiteit na te streven staat dat ook op de helling.

1. Zijn festivals volgens uw administratie per definitie een economische activiteit van winstgevende aard, die dus onder de vennootschapsbelasting vallen?

2. Welke voorwaarden worden gehanteerd om te bepalen of een de organiserende vzw van een festival al dan niet een winstgevende hoofdactiviteit nastreeft en in welke mate spelen andere doelstelling van culturele of sociale aard mee in die overweging?

3. Hoe acht u de onderwerping van festivals georganiseerd door vzw's aan de vennootschapsbelasting verenigbaar met de specifieke organisatiecultuur van onze Belgische festivals, die onder andere hevig steunt op het inzetten van vrijwilligers?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Zoals voor eender welke vereniging dient ook bij festivals die georganiseerd worden via een vzw-structuur, nagegaan te worden of aan de in artikel 220, WIB 92 gestelde voorwaarden is voldaan voor een onderwerping aan de rechtspersonenbelasting. Eén van die voorwaarden is dat de vzw zich niet mag bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard andere dan die bedoeld in artikel 182, WIB 92. De beoordeling van deze voorwaarde gebeurt aan de hand van de gekende feitelijke elementen van de betrokken belastingplichtige. Circulaire nr. Ci.RH.241/509.803 van 5 maart 1999 verduidelijkt het belastingstelsel voor de vergoedingen voor vrijwilligerswerk. Volgens deze fiscale circulaire en haar addenda mag de opdrachtgever geen rechtspersoon zijn die een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard. Een vzw die dat wel doet en die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, wordt door de circulaire uitgesloten van de toepassing ervan. Gelet op de bekommernis om in deze materie een parallellisme met Sociale Zaken te behouden, heb ik mijn administratie gevraagd om na te gaan of die uitsluiting van vzw's onderworpen aan de vennootschapsbelasting in overeenstemming is met de bepalingen van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers. Uit dat onderzoek is gebleken dat er een verschillende interpretatie is op sociaal en fiscaal vlak. Op sociaal vlak is het essentieel dat de opdrachtgever een belangeloos doel nastreeft en er geen verrijking van de leden plaatsvindt. Het feit dat een vzw een commerciële activiteit heeft, speelt dan geen rol. Of de vzw onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting of de vennootschapsbelasting, is niet relevant. Ik heb mijn administratie de opdracht gegeven om het fiscale standpunt bij te sturen en dit te verduidelijken in een addendum bij de circulaire nr. Ci.RH.241/509.803 van 5 maart 1999.