Parlementaire vraag nr. 340 van de heer Dirk Van der Maelen van 27.04.2012
Parlementaire vraag nr. 340 van de heer Dirk Van der Maelen dd. 27.04.2012
Vragen en Antwoorden, Kamer 2011-2012, nr. 84 van 09.10.2012, blz. 56
Personenbelasting
Belastingvermindering
Toekenningsvoorwaarden van de belastingvermindering
Energiebesparende uitgave
Vermindering voor energiebesparende uitgaven
Toepassingsvoorwaarden van de vermindering voor energiebesparende uitgaven
VRAAG
Volgens artikel 145/24 van het WIB92 zoals van toepassing tot het aanslagjaar 2012, wordt een belastingvermindering verleend voor de plaatsing van isolatie en dubbele beglazing indien deze tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald. Mijn vraag heeft betrekking op de toestand van belastingplichtigen die een sociale woning hebben aangekocht en die aanspraak maken op deze belastingvermindering. Volgens het standpunt dat de fiscale administratie in een circulaire heeft ingenomen (Ci.RH.331/605.643 van 22 februari 2011), moet de belastingplichtige om van de vermindering te genieten eigenaar van de woning zijn op het moment van de aanvang van de energiebesparende werken. Indien de bouwpromotor de woning slechts na de volledige afwerking ervan verkoopt, is de bouwpromotor eigenaar op het moment dat de energiebesparende werken worden uitgevoerd. Bijgevolg zou de koper volgens de Administratie geen recht hebben op de belastingvermindering. Concreet brengt dit met zich mee dat de koper van de belastingvermindering wel degelijk zou kunnen genieten indien hij de woning op plan zou hebben gekocht en deze via voorschotten zou hebben betaald. Als de koper echter pas na de voltooiing van de werken eigenaar is geworden en hij pas heeft betaald nadat de werken werden uitgevoerd, zou hij volgens de logica van de fiscale administratie zoals uiteengezet in de circulaire van 22 februari 2011, geen recht hebben op de belastingvermindering. In de feiten zou de interpretatie van de administratie ertoe leiden dat het fiscaal voordeel aan de bouwpromotor zou worden toegekend indien hij de woning slechts na de volledige afwerking ervan verkoopt en dus de eigenaar is op het moment dat de energiebesparende werken worden uitgewerkt. Dit is volledig onlogisch en onbillijk gezien de koper diegene is die alle werken, inbegrepen btw heeft betaald bij de aankoop van het desbetreffende onroerend goed. De tekst van artikel 145/24 van het WIB92 heeft geen vereiste opgenomen dat men eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, vruchtgebruiker of huurder moet zijn van de woning bij de aanvang van de werken. De wetgever heeft wel bepaald dat een belastingvermindering wordt verleend voor uitgaven voor een rationeler energiegebruik in een woning die tijdens het belastbare tijdperk door de eigenaar werkelijk zijn betaald. Sensu strictu volstaat het dus dat de belastingplichtige eigenaar is of wordt van de woning in het jaar dat hij de vermindering aanvraagt voor zover, uiteraard, dat de kost van deze werken in de aankoopprijs zijn inbegrepen. Kan u akkoord gaan met deze interpretatie van artikel 145/24 van het WIB92?
ANTWOORD (van de heer Vanackere, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken)
De wetgever had destijds de bedoeling om gezinnen aan te moedigen om bij te dragen tot de vermindering van de uitstoot van schadelijke gassen met de uitwerking van een fiscale stimulans. Deze stimulans bestond erin dat de belastingplichtige die uitgaven doet voor welbepaalde energiebesparende werken in zijn woning - waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is - recht heeft op een belastingvermindering. Wanneer een belastingplichtige energiebesparende werken in zijn woning laat uitvoeren en hij later deze woning verkoopt aan een derde, kan de koper in geen geval de belastingvermindering claimen, aangezien niet hij, maar wel de verkoper energiebesparende uitgaven heeft gedaan. Datzelfde principe is van toepassing op bouwpromotoren ingeval zij woningen waarin energiebesparende werken werden uitgevoerd, verkopen na de volledige afwerking ervan. In dit geval doet de koper zelf immers geen uitgaven voor energiebesparende werken, maar wel uitgaven voor het verwerven van een woning. De bepalingen van artikel 145/24, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die het geachte lid beoogt, stellen duidelijk dat de bedoelde belastingvermindering geldt voor een reeks van energiebesparende uitgaven die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald door de reeds geciteerde personen. Personen die eigenaar, enzovoort worden van het betrokken onroerend goed nadat de energiebesparende uitgaven werden gedaan, kunnen bijgevolg geen aanspraak maken op die belastingvermindering. De administratie geeft bijgevolg een correcte toepassing aan deze wettelijke bepaling.