Parlementaire vraag nr. 2130 van de heer Georges Gilkinet en vraag nr. 2165 van de heer Josy Arens d.d. van 19.01.2011

Mondelinge parlementaire vragen nr. 2130 van de heer Georges Gilkinet en nr. 2165 van de heer Josy Arens dd. 19.01.2011

Administratie der directe belastingen

Antwoordtermijn

Bericht van wijziging

Forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting

VRAAG (van de heer Gilkinet)

Bij de wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen werd een wijziging aangebracht aan de wijze van berekening van de termijnen die van toepassing zijn indien de administratie der belastingen een bericht van wijziging verstuurt. De woorden "na de datum van de verzending van de aanvraag" werden vervangen door de woorden "te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van de aanvraag". Bedoeling was om te anticiperen op het mogelijke antwoord van het Grondwettelijk Hof op de prejudiciële vraag die op 21 april 2009 door het hof van beroep te Antwerpen werd gesteld, te weten of artikel 346, derde lid, van het WIB 92, dat bepaalde dat de antwoordtermijn van een maand aanving op de datum van verzending van het bericht van wijziging, geen schending inhield van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De wijziging van artikel 346 is van toepassing sinds 7 juni 2010 en geldt mijns inziens ook voor dossiers die na die datum worden behandeld. De administratie der belastingen interpreteert dat blijkbaar anders, aangezien ze stelt dat die wijziging met terugwerkende kracht moet worden toegepast voor alle hangende administratieve en gerechtelijke beroepsprocedures. Een en ander blijft niet zonder gevolgen voor de zware fraudedossiers. Volgens Le Vif van 14 januari kunnen de 270 hangende FBB-dossiers (forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting) daardoor immers in aanmerking komen voor verjaring, waardoor de Staat 170 miljoen ingekohierde belastingen zou mislopen.

Wat vindt u van het feit dat het nieuwe derde lid van artikel 346 van het WIB met terugwerkende kracht wordt toegepast? Moet dat artikel niet worden gewijzigd teneinde de niet-retroactiviteit ervan te preciseren?

Hoeveel belastinginkomsten ziet de Staat aan zijn neus voorbijgaan door die interpretatie van de administratie der belastingen?

Heeft die interpretatie al gevolgen gehad voor de behandeling van lopende dossiers?

VRAAG(van de heer Arens)

Ik sluit mij aan bij wat collega Gilkinet zojuist heeft gezegd en zou u willen vragen licht op de zaak te werpen.

Wordt de situatie die door het Grondwettelijk Hof werd aangeklaagd, niet rechtgezet door de wetswijziging die werd aangebracht bij de wet van 19 mei 2010?

Volgens sommigen hebben de nieuwe termijnen van artikel 346 van het WIB 92 terugwerkende kracht. Klopt dat volgens u?

Dreigen de FFB-dossiers niet te vervallen alvorens ze afgehandeld kunnen worden?

Zo ja, kunt u dan uitleggen waarom er geen passend wetgevend initiatief werd genomen? Hoeveel FFB-dossiers zijn er en voor hoeveel daarvan is er nog een administratief geschil hangende? Om welke bedragen gaat het? Waarom heeft de BBI zulke grote bedragen ingekohierd op een datum die zo kort voorafgaat aan het verval?Dreigt de administratie door de achterstand in bepaalde dossiers niet blootgesteld te worden aan jurisprudentiële standpunten van het Grondwettelijk Hof? Zijn er naast de FFB-dossiers nog andere dossiers en om welke bedragen gaat het? Hoe denkt u dat probleem op te lossen?

ANTWOORD(van de heer Reynders,vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)

De artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen zijn op 7 juni 2010 in werking getreden. In de wet wordt er in geen terugwerkende kracht voorzien. Met deze bepalingen wilde de wetgever vooruitlopen op twee prejudiciële vragen die aan het Grondwettelijk Hof werden gesteld en die erop gericht waren te achterhalen of artikel 346, § 3, van het WIB 92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet schendt door de bepaling dat het antwoord van de belastingplichtige binnen een termijn mag worden geformuleerd die loopt vanaf het verzenden van het bericht van wijziging. Op 2 juni 2010 heeft het Hof geantwoord dat die bepaling inderdaad de Grondwet schendt. Als gevolg daarvan moet de nieuwe termijn ­ wat de artikelen 316, 346, § 3, en 351, § 3, van het WIB 92 betreft ­ toegepast worden vanaf 2 juni 2010 op alle verzoeken om inlichtingen, alle berichten van wijziging en alle wijzigingen van de ambtshalve aanslag, waarvan de antwoordtermijn thans loopt. Bovendien moeten die nieuwe termijnen worden toegepast op alle hangende administratieve en gerechtelijke beroepen.

Het probleem van de terugwerkende kracht is een gevolg van het arrest van het Grondwettelijk Hof. Tot op heden werd de terugwerkende kracht slechts in een beperkt aantal gerechtelijke dossiers aangevoerd. De administratie onderzoekt momenteel de aangevoerde bezwaren en verifieert de verweermiddelen. De bevoegde gewestelijke directeur of de rechter in laatste aanleg zal de knoop moeten doorhakken. Zolang het dus niet zeker is dat de bezwaren gerechtvaardigd zijn, is de financiële impact niet bekend.

CONCLUSIE(van de heer Gilkinet)

Ik neem nota van uw standpunt volgens hetwelk de administratie de verschuldigde bedragen blijft begroten in afwachting van een gerechtelijke beslissing. Deze termijnen moesten derhalve worden toegepast op de geschillendossiers, met inbegrip van de dossiers die dateren van voor de beslissing van het Grondwettelijk Hof of van voor de inwerkingtreding van de wet.

Deze kwestie moet volledig uitgebeend worden en indien nodig moet men de zaak voor de rechtbank brengen. Indien de rechter zou beslissen dat er inderdaad sprake is van verval, zou dat opnieuw een heel negatief beeld geven van het vermogen van de Staat. Het gaat uiteraard wel om oude dossiers, maar fiscale fraude moet op een doeltreffende manier bestreden worden.

CONCLUSIE(van de heer Arens)

Het is een groot probleem. Ik hoop dat de administratie oplossingen vindt, opdat de Schatkist niet de grote verliezer van deze operatie wordt.