Parlementaire vraag nr. 397 van de heer Knoops van 14.07.1993

VRAAG 93/397

Vraag nr. 397 van de heer Knoops dd. 14.07.1993


Bull. nr. 738, pag. 1111

Dividend - Interest van voorschot - Gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen

Luidens artikel 77bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen mag geen uitkering van dividend geschieden indien het netto-actief "is gedaald of zou dalen beneden het bedrag van het gestorte kapitaal".

Uitkeringen van dividenden in strijd met die bepaling worden betwist, met name door de schuldeisers van de vennootschap.

De wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen bepaalt dat wanneer een werkend vennoot (personenvennootschap) of een beheerder (naamloze vennootschap) interesten van een lening ontvangt, die laatste, behoudens uitzonderingen, als dividenden worden beschouwd.

Kunnen schuldeisers de uitkeringen van als dividenden beschouwde interesten op grond van de combinatie van die twee bepalingen betwisten ?

ANTWOORD

Antwoord van de Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie en Economische Zaken : De vraag die het geacht lid mij in mijn hoedanigheid van Minister van Economische Zaken heeft gesteld, betreft het vennootschapsrecht dat onder de bevoegdheid valt van het departement van Justitie. Het is derhalve in mijn hoedanigheid van Minister van Justitie dat ik het geacht lid, onder voorbehoud van de interpretatie van de hoven en rechtbanken, de volgende gegevens meedeel.

Artikel 77bis van voornoemde gecoördineerde wetten houdt geen verbod in van rentegevende voorschotten die bestuurders aan de vennootschap verstrekken; het verhindert dat de bestuurders en aandeelhouders in strijd met de belangen van de vennootschap, een gedeelte van het vermogen van de vennootschap inpalmen om de betaling van hun dividenden en tantièmes te verzekeren door te raken aan wat het wezen zelf van de vennootschap uitmaakt : haar kapitaal. Dat verbod dekt eveneens de uitkeringen die worden gedaan aan andere personen, zoals obligatiehouders of personeel van de onderneming.

Voor het overige wordt de betaling door de vennootschap van interesten op de door de bestuurders aandeelhouders of derden geleende bedragen, niet door artikel 77bis geviseerd : de betaalde interesten op de voorschotten en leningen zijn, eigenlijk ten laste van het lopende boekjaar en, in dien hoofde, wordt de betaling ervan vastgelegd voordat de verdeelbare winst wordt vastgesteld, terwijl dat artikel 77bis enkel slaat op de bedragen die worden uitgekeerd door bestemming van de uitkeerbare winst. Hetzelfde geldt voor de vaste bezoldigingen en emolumenten die aan de bestuurders worden toegekend en waarvan de betaling niet van het maatschappelijk resultaat afhangt.

Artikel 18 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verbiedt immers dat een bestuurder rentegevende leningen aan zijn vennootschap toestaat aangezien die praktijk boven bepaalde grenzen omschreven in de fiscale wetgeving (artikelen 18 en 55 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen) de indruk kan geven dat wordt gepoogd een gedeelte van de winsten aan de vennootschapsbelasting te onttrekken. De fiscale wetgeving gaat in dat verband verder dan het vennootschapsrecht : zij gelast niet de teruggave van onrechtmatig ontvangen interesten, maar kwalificeert ze op een andere wijze teneinde ze te kunnen onderwerpen aan de vennootschapsbelasting, waaraan zij eigenlijk niet had mogen ontsnappen.

Door dat te doen heeft de fiscale wetgeving niet tot gevolg dat zij de aard van de betaalde interesten aan de bestuurders wijzigt voor hetgeen de door haar vastgestelde grenzen overschrijdt. Ze behandelt ze alsof het dividenden waren; maar de betaalde interesten worden niet zomaar dividenden, in de mate dat men nauwelijks een rechtsgrond kan zien in een door een schuldeiser ingestelde vordering die zich wil beroepen op die fiscale gelijkstelling in het raam van artikel 77bis van de vennootschappenwet om de bestuurders te dwingen hun de bedragen die hun werden gestort als interest op door de vennootschap toegekende voorschotten terug te geven.

Mijn collega van Financiën geeft eveneens de aandacht erop gevestigd dat die bepaling niet alleen een repressief karakter heeft maar tevens erop is gericht om het laatste nog bestaande verschil tussen handelsvennootschappen en kapitaalvennootschappen op het gebied van de vennootschapsbelasting weg te werken alsook de misbruiken van bestuurders te voorkomen die aan de vennootschap leningen toekennen teneinde de fiscale regeling inzake interesten te genieten, die voordeliger is dan die betreffende de dividenden en een interest te bekomen die hoger is dan de marktrente (Gedr. Stuk, Kamer, zitting 1991-1992, Verslag van de Commissie Financiën, nr. 444/9, blz. 91 en volgende).

Door de gelijkstelling van interesten en dividenden, ingeval bepaalde grenzen worden overschreden, strekt de fiscale wetgeving uiteindelijk slechts ertoe te voorkomen wat de wetgever als een misbruik beschouwt. Volgens mij hebben de schuldeisers van vennootschappen dan ook geen reden tot ongerustheid.