Parlementaire vraag nr. 103 van de heer Viseur van 26.10.1999
VRAAG 99/103
Vr. en Antw., Kamer, 1999-2000, nr. 15, blz. 1666
Bankonderzoeken
VRAAG
De onderstaande tabel geeft het aantal door de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) gevraagde toestemmingen voor bankonderzoeken die volgens de jaarverslagen van de Algemene Belastingadministratie worden verleend.
--------------------------------------------- Toestemmingen voor bankonderzoeken --------------------------------------------- BTW Inkomstenbelastingen --------------------------------------------- 1993 0 ? 1994 2 0 1995 9 0 1996 45 1 1997 43 1 1998 105 2 ---------------------------------------------
1. Waarom wordt die mogelijkheid inzake inkomstenbelastingen niet benut?
2. Hoe komt het dat het aantal onderzoeken inzake BTW zo fors is gestegen?
3. Vanwaar die discrepantie?
ANTWOORD
Zoals gesteld in het laatste lid in punt 1 van blz. 28 van het jaarverslag 1998 van de algemene Administratie van de Belastingen, is de aanzienlijke stijging van het aantal bankonderzoeken inzake BTW voor het jaar 1998 hoofdzakelijk het gevolg van de intensivering van de controlewerkzaamheden op het vlak van de "carrouselfraude".
Dit gegeven en de verschillende aard van de inkomstenbelastingen en de BTW laten niet toe het aantal machtigingen tot bankonderzoek, dat inzake die belastingen werd verleend, zonder meer met elkaar te vergelijken.
Bovendien zijn de wettelijke bepalingen die inzake bankonderzoeken op het vlak van de inkomstenbelastingen (artikel 318 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992) gelden, veel strikter dan die inzake BTW (artikel 62bis van het BTW-Wetboek).
Terzake bepaalt artikel 318, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onder welke voorwaarden de Administratie het recht heeft bij bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te winnen met het oog op het belasten van hun cliënten.
Met ingang van aanslagjaar 1997, kan de Administratie aldus slechts inlichtingen inwinnen bij banken wanneer een onderzoek concrete elementen aan het licht heeft gebracht die het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden.
Voor de aanslagjaren 1996 en vorige is die wetsbepaling nog strikter in die zin dat de Administratie terzake slechts inlichtingen kan inwinnen indien de ingestelde enquête concrete gegevens aan het licht brengt die het bestaan kunnen doen vermoeden van een mechanisme dat de organisatie van inbreuken op de fiscale wet ten doel of tot gevolg heeft en dat een medeplichtigheid insluit, tussen de instelling en de cliënt, met het oog op belastingontduiking.
De wet stelt deze voorwaarden niet inzake BTW.
Bron: FisconetPlus
