Parlementaire vraag nr. 283 van de heer Hatry van 18.07.1997
VRAAG97/283
Vraagnr. 283 van de heer Hatry dd. 18.07.1997
Bull. nr. 782, pag. 979
Vr. en Antw., Senaat, nr. 1-57, 1997-1998, blz.2897-2899
BNI.- BV. - Organisatie van vertoningen.
VRAAG
Bericht aan de inrichters vanvertoningen of van sportmanifestaties in België, die gebruik makenvan de diensten van podiumkunstenaars of sportbeoefenaars, niet-inwoners, of die een beroep doen op buitenlandse ondernemingendie zijn gespecialiseerd in de productie van dergelijke vertoningenof manifestaties (Belgisch Staatsblad van 25 april 1997, 2e editie, blz. 9967 en volgende).
Dit bericht druist, in zoverre hetbetrekking heeft op bijvoorbeeld in de Verenigde Staten gevestigdevennootschappen, in tegen de met dat land gesloten overeenkomst tervoorkoming van dubbele belasting, aangezien het bedrijven belastdie geen vaste inrichting hebben in België, wat een schending vormtvan de artikelen 7 en 5 van deze overeenkomst.
Het gemeen recht staat op basis vande artikelen 228, § 2, 8°, 270, 3°, 275, 248, WIB 1992 en op basisvan hoofdstuk X, punt 66, van het koninklijk besluit van 10 januari1997 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van debedrijfsvoorheffing, toe een bedrijfsvoorheffing van 18 % in tehouden op de inkomsten van vennootschappen van buitenlands rechtdie zich met podiumkunsten bezig houden. De overeenkomst die met deVerenigde Staten werd aangegaan bevat echter niet het artikel 17,2°, van de modelovereenkomst van de OESO, wat tot gevolg heeft datBelgië geen bedrijfsvoorheffing kan innen op de inkomsten van dezevennootschappen en ze dus niet kan belasten zolang ze geen vasteinrichting hebben in België. In de meeste gevallen is er geensprake van een vaste inrichting zoals die volgens artikel 5, 1°, van de overeenkomst vereist is.
Sinds het arrest van het Hof vanCassatie van 27 mei 1971 wordt algemeen aanvaard "... datwanneer het conflict bestaat tussen een internrechtelijk norm eneen internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeftin de interne rechtsorde, de door het verdrag bepaalde regel moetvoorgaan; dat deze voorrang volgt uit de aard zelf van het bijverdrag bepaald internationaal recht".
Het bericht van de minister vanFinanciën bepaalt echter dat een vennootschap naar Amerikaansrecht, zonder vaste inrichting in België, belastbaar is op het deeldat die vennootschap toekent aan de kunstenaars ensportbeoefenaars.
Dit vloeit voort uit de punten 16,17, 18 en 19 van het bericht.
Kan de geachte minister aantonenwelke verdragsrechtelijke gronden rechtvaardigen dat eenvennootschap naar Amerikaans recht, zonder vaste inrichting inBelgië, belast wordt op inkomsten die ze haalt uit een in Belgiëuitgeoefende activiteit?
Men kan immers niet ontkennen dat hetinhouden van een bedrijfsvoorheffing van 18 % op dat deel van dedoor de vennootschap naar Amerikaans recht in rekening gebrachtediensten, dat vervolgens door diezelfde vennootschap aan dekunstenaars wordt toegekend, erop neerkomt dat een buitenlandsevennootschap wordt onderworpen aan een Belgische belasting.
ANTWOORD
In de door het geachte lid beoogdesituatie zijn betrokken, enerzijds een vennootschap - inwoner vande Verenigde Staten - die een spektakel verkocht heeft aan eenBelgisch organisator en anderzijds artiesten niet- inwoners diedeel uitmaken van het personeel van de voornoemde vennootschap endie het spektakel in België uitgevoerd hebben.
Indien men ervan uitgaat dat deAmerikaanse vennootschap de verkoop van het spektakel verrichtheeft zonder tussenkomst van een vaste inrichting in België, spreekt het voor zich dat het artikel 7 van de op 9 juli 1970tussen België en de Verenigde Staten gesloten overeenkomst totvoorkoming van de dubbele belasting (Belgisch Staatsblad van 4oktober 1972) zich verzet tegen belastingheffing in België van dewinsten die de vennootschap uit deze handeling heeft verkregen.
De artikelen 14 (zelfstandigeartiesten) en 15 (bezoldigde artiesten) van dezelfde overeenkomstdaarentegen kennen in bepaalde gevallen (zie de punten 11, 21 en 22van het in de vraag geciteerde bericht) aan België deheffingsbevoegdheid toe inzake de inkomsten die een artiest-inwonervan de Verenigde Staten verkrijgt als vergoeding voor prestatiesuitgevoerd op het Belgische grondgebied. Evenzeer, in het geval deAmerikaanse vennootschap beroep doet op de diensten van inwonersvan derde Staten, zijn het de bepalingen met betrekking tot deartiesten die opgenomen zijn in de tussen die derde Staten enBelgië afgesloten verdragen die toegepast moeten worden inzake deinkomsten verkregen door deze artiesten als vergoeding voorprestaties uitgevoerd op het Belgische grondgebied.
Het geachte lid lijkt te menen dat, gezien de afwezigheid in het Belgisch-Amerikaans verdrag van eenaan artikel 17, § 2, van het OESO- modelverdrag gelijkaardigebepaling, artikel 7 van datzelfde Belgisch- Amerikaans verdrag zichverzet tegen het feit dat de Belgische organisator debedrijfsvoorheffing inhoudt op het gedeelte van de gage datovereenstemt met het totale bedrag van de vergoedingen die dezevennootschap verschuldigd is aan haar artiesten als vergoeding voorhun prestaties in België, in de veronderstelling dat deheffingsbevoegdheid aan België toekomt.
In dit verband dient te wordenopgemerkt dat wanneer een overeenkomst tot vermijding van dedubbele belasting aan België de heffingsbevoegdheid toekent overhet persoonlijk inkomen van de artiesten, deze bevoegdheid nietgekoppeld is aan enige beperking inzake het moment of de manier vaninning van de op deze inkomsten verschuldigde Belgische belasting.
De overeenkomsten tot vermijding vande dubbele belasting verzetten er zich dus niet tegen dat België debelasting int die haar toekomt, ten laste van de artiestenniet-inwoners, op die manier zoals voorzien door het Belgischeinterne recht (artikelen 228, § 2, 8°, en 270, 1e lid, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, artikel 87, 5°, d), ennr. 66 van de bijlage III van het koninklijk besluit tot uitvoeringvan het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992), dit wil zeggenmiddels een inhouding van 18 % uit te voeren door de organisatorvan de voorstelling op de aan de vennootschap die de artiestentewerkstelt gestorte gage.
Teneinde te bewerkstelligen dat haareigen winsten niet ten onrechte getroffen zouden worden door dezeinhouding, heeft deze vennootschap trouwens de mogelijkheid, zoalsvoorzien in het punt 25 van het door het geachte lid aangehaalde"bericht", de Belgische organisator een opgave voor teleggen waarin de aan de artiesten voor hun prestaties in Belgiëtoegekende bedragen vermeld worden. Eens deze stap gezet, zal deorganisator enkel de inhouding van 18 % toepassen op het gedeeltevan de gage dat met die laatste bedragen overeenstemt, in de matedat die sommen zelf belastbaar zijn in België.
In die omstandigheden en rekeninghoudend met het feit dat het de buitenlandse vennootschap vrijstaat de kwestieuze inhouding te verhalen op de artiesten welke zijvergoedt, ondergaat deze vennootschap in werkelijkheid geen enkelebelasting in België. Bijgevolg mag men besluiten dat de bepalingenvan het artikel 7 van de beoogde overeenkomst volledig nageleefdworden.
Rekening houdend met watvoorafgaat ben ik van oordeel dat de bepalingen van het"bericht" in kwestie in overeenstemming zijn zowel methet interne recht als met het verdragsrecht.
