Parlementaire vraag nr. 256 van de heer Vincent Scourneau van 25.03.2015
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/024 dd. 11.05.2015, blz. 47
Vzw's. - Dienstencheques. - Toepassing van het stelsel van de rechtspersonenbelasting of de vennootschapsbelasting
VRAAG (van de heer Scourneau)
Mijn vraag heeft betrekking op het belastingstelsel waaraan vzw's die uitsluitend als dienstenchequeonderneming werken, onderworpen zijn: de rechtspersonenbelasting of de vennootschapsbelasting.
1. Bestaat er een reglementaire bepaling waardoor die vzw's principieel onder de toepassing van een van die belastingen vallen?
2. Zo niet - en bij mijn weten is dat het geval - heeft uw administratie een formeel standpunt in deze of gene zin ingenomen en hebben uw diensten in dat verband bepaalde onderrichtingen gekregen?
3. Indien elk dossier afzonderlijk moet worden beoordeeld, met welke punten moet er dan rekening worden gehouden?
ANTWOORD (van de minister van Financiën)
De problematiek van de behandeling van erkende dienstencheques-ondernemingen op het vlak van de inkomstenbelastingen werd reeds behandeld in de parlementaire vraag nr. 995 van mevrouw Dominique Tilmans van 22 november 2005 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005-2006, CRIV 51 nr. 112, blz. 21091) die meer bepaald betrekking had op de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen die binnen hun organisatie een dienstencheques-onderneming hadden opgericht. De principes die in dat antwoord werden uiteengezet, gelden ook voor een vzw die uitsluitend dienstencheque-activiteiten verricht. Hierna worden die principes nog eens herhaald. Zoals het geachte lid stelt, wordt de problematiek van de fiscale behandeling van erkende dienstencheques-ondernemingen door geen enkele bijzondere bepaling op het vlak van de inkomstenbelastingen geregeld zodat zij aan de gemene regels zijn onderworpen. Ter zake kan worden verwezen naar de artikels 179, 181 en 182 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), waarvan de toepassingsmodaliteiten worden uiteengezet in de administratieve commentaar. In principe oefenen de dienstencheques-ondernemingen hun toegelaten activiteiten niet uit in het kader van de "bevoorrechte gebieden" zoals bedoeld in artikel 181, WIB 92. Wat betreft de toepassing van artikel 182, WIB 92, wordt het begrip "een onderneming exploiteren of zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard" nader toegelicht in de nrs 179/9 en volgende van de administratieve commentaar. Er wordt inzonderheid op gewezen dat dat begrip niet noodzakelijk het nastreven van winst inhoudt, maar dat het volstaat dat de entiteit zich met een bestendige beroepswerkzaamheid bezighoudt die in feite winsten of baten oplevert. De door de erkende ondernemingen uitgeoefende activiteiten inzake dienstencheques en de levering van onderliggende prestaties houden in principe de exploitatie van een onderneming in. Een vzw die uitsluitend dienstencheque-activiteiten uitoefent, zal bijgevolg, in principe, onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat enkel een analyse van geval per geval, waarbij het al dan niet bijkomstige karakter van de handelsverrichtingen ten name van een vzw wordt nagegaan, zal toelaten om te bepalen of die vereniging onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting. In geval de voornaamste activiteit van een vzw bestaat in het uitoefenen van handelsverrichtingen waaruit inkomsten worden behaald, kan niet worden beslist dat er "geen sprake is van een winstgevend karakter" en dat de betrokken vzw niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting (arrest van het Hof van Cassatie van 29 april 2005).
