Parlementaire vraag nr. 1149 van de heer Hatry van 18.06.1998
VRAAG 98/1149
Vraag nr. 1149 van de heer Hatry dd. 18.06.1998
Vr. en Antw., Senaat, 1998-1999, nr. 1-85, blz. 4527
Bull. nr. 792, pag. 1232
BTW-Revue nr. 141, blz. 286
Controle omzet. - Analyse financiële rekeningen.
VRAAG
De belastingambtenaren stellen de omzet van zelfstandigen en beoefenaars van vrije beroepen samen op basis van hun financiële verrichtingen (stortingen in baar geld op de bank, inhoudingen in baar geld voor het huishouden, enz.) waaruit dan besloten wordt dat de omzet min of meer onder- of overgewaardeerd is.
Ik heb vernomen dat sommige belastingambtenaren deze methode op willekeurige en onoordeelkundige wijze toepassen.
1.
a) Op basis van welke wettelijke, administratieve of andere grondslag kan deze methode worden toegepast?
b) Welke regels en beperkingen moeten daarbij in acht worden genomen?
c) In welke mate en onder welke voorwaarden kan deze methode leiden tot een rectificatie van de aangegeven omzet?
2. Naar mijn mening moet deze willekeurige methode met omzichtigheid worden gehanteerd en kan ze alleen leiden tot de correctie van de omzet indien de aldus vastgestelde onderwaardering significant is. Klopt dit? Wanneer wordt deze methode correct toegepast?
3. Wanneer aan de hand van deze methode een omzet ontdekt wordt die lager is dan de aangegeven omzet, beschouwen de belastingambtenaren dat het verschil voor privé-uitgaven werd aangewend en wordt het bij de privé-uitgaven gevoegd in het kader van de tekenen en indiciën met de mogelijke gevolgen vandien. Anders gezegd, zelfs indien de aangegeven omzet hoger is dan de samengestelde, dreigt de belastingplichtige te maken te krijgen met een correctie, wat mij niet normaal lijkt. Is de geachte minister het eens met een dergelijke werkwijze en waarom?
4. Is het zo dat deze werkwijze zowel bij over- als bij onderwaardering van de aangegeven omzet in bijna alle gevallen tot een rectificatie leidt?
5. Moet bij een onderwaardering van de omzet die aldus werd ontdekt, ook een BTW-rectificatie worden toegepast?
ANTWOORD
1 en 2. De taxatieambtenaar die via een analyse van de financiële rekeningen van de belastingplichtige een vermoedelijk ontvangstcijfer bepaalt dat met de aangegeven omzet wordt vergeleken, heeft als bewijsmiddel feitelijke vermoedens aangewend.
Dit bewijsmiddel is een van de middelen die krachtens artikel 340 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen worden toegepast. De toepassingsregels ervan zijn in de administratieve commentaar op voormeld artikel opgenomen.
3 en 4. Een antwoord kan slechts worden verstrekt indien mij nauwkeurige toelichtingen betreffende de beoogde situatie worden verstrekt.
5. Op grond van artikel 59 van het BTW-Wetboek is de met BTW- controle belaste administratie gerechtigd om de taxatie ondernomen inzake directe belastingen, als bewijs door menselijke vermoedens, in te roepen om het belastbaar omzetcijfer inzake BTW te bepalen, telkens wanneer er kan worden vermoed dat de supplementaire inkomsten voortvloeien uit een aan de BTW onderworpen economische activiteit en dat die inkomsten niet begrepen geweest zijn in het voor die belasting aangegeven omzetcijfer.
Vraag nr. 1149 van de heer Hatry dd. 18.06.1998
Vr. en Antw., Senaat, 1998-1999, nr. 1-85, blz. 4527
Bull. nr. 792, pag. 1232
BTW-Revue nr. 141, blz. 286
Controle omzet. - Analyse financiële rekeningen.
VRAAG
De belastingambtenaren stellen de omzet van zelfstandigen en beoefenaars van vrije beroepen samen op basis van hun financiële verrichtingen (stortingen in baar geld op de bank, inhoudingen in baar geld voor het huishouden, enz.) waaruit dan besloten wordt dat de omzet min of meer onder- of overgewaardeerd is.
Ik heb vernomen dat sommige belastingambtenaren deze methode op willekeurige en onoordeelkundige wijze toepassen.
1.
a) Op basis van welke wettelijke, administratieve of andere grondslag kan deze methode worden toegepast?
b) Welke regels en beperkingen moeten daarbij in acht worden genomen?
c) In welke mate en onder welke voorwaarden kan deze methode leiden tot een rectificatie van de aangegeven omzet?
2. Naar mijn mening moet deze willekeurige methode met omzichtigheid worden gehanteerd en kan ze alleen leiden tot de correctie van de omzet indien de aldus vastgestelde onderwaardering significant is. Klopt dit? Wanneer wordt deze methode correct toegepast?
3. Wanneer aan de hand van deze methode een omzet ontdekt wordt die lager is dan de aangegeven omzet, beschouwen de belastingambtenaren dat het verschil voor privé-uitgaven werd aangewend en wordt het bij de privé-uitgaven gevoegd in het kader van de tekenen en indiciën met de mogelijke gevolgen vandien. Anders gezegd, zelfs indien de aangegeven omzet hoger is dan de samengestelde, dreigt de belastingplichtige te maken te krijgen met een correctie, wat mij niet normaal lijkt. Is de geachte minister het eens met een dergelijke werkwijze en waarom?
4. Is het zo dat deze werkwijze zowel bij over- als bij onderwaardering van de aangegeven omzet in bijna alle gevallen tot een rectificatie leidt?
5. Moet bij een onderwaardering van de omzet die aldus werd ontdekt, ook een BTW-rectificatie worden toegepast?
ANTWOORD
1 en 2. De taxatieambtenaar die via een analyse van de financiële rekeningen van de belastingplichtige een vermoedelijk ontvangstcijfer bepaalt dat met de aangegeven omzet wordt vergeleken, heeft als bewijsmiddel feitelijke vermoedens aangewend.
Dit bewijsmiddel is een van de middelen die krachtens artikel 340 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen worden toegepast. De toepassingsregels ervan zijn in de administratieve commentaar op voormeld artikel opgenomen.
3 en 4. Een antwoord kan slechts worden verstrekt indien mij nauwkeurige toelichtingen betreffende de beoogde situatie worden verstrekt.
5. Op grond van artikel 59 van het BTW-Wetboek is de met BTW- controle belaste administratie gerechtigd om de taxatie ondernomen inzake directe belastingen, als bewijs door menselijke vermoedens, in te roepen om het belastbaar omzetcijfer inzake BTW te bepalen, telkens wanneer er kan worden vermoed dat de supplementaire inkomsten voortvloeien uit een aan de BTW onderworpen economische activiteit en dat die inkomsten niet begrepen geweest zijn in het voor die belasting aangegeven omzetcijfer.
Bron: FisconetPlus
