Parlementaire vraag nr. 1410 van de heer Duquesne van 02.02.1995
VRAAG 95/1410
Vraag nr. 1410 van de heer Duquesne dd. 02.02.1995
Bull. nr. 753, pag. 2879
Kadastraal inkomen - Herziening - Pachtcontract
1. Indien men ervan uitgaat dat de huur voor een onroerend goed dat in pacht gegeven wordt, overeenstemt met het kadastraal inkomen van het verpachte goed waarop een coëfficiënt wordt toegepast, die de huurder kan aftrekken en die voor de eigenaar zelfs helemaal vrijgesteld is, dient het kadastraal inkomen van het goed dan niet herzien te worden (althans voor het gedeelte dat in het kader van een loopbaanpachtovereenkomst wordt verpacht), met verwijzing naar de overmacht in het kader van de speciale herziening (artikel 491 van het WIB 92 of artikel 494, § 1, 2°, en § 2, 2°, van het WIB 92), wegens verdeling van een gebouwd perceel en wijziging van de grootte, enz. ?
2. Zouden de fiscale gevolgen niet gunstiger uitvallen voor de staat, voor zover de aftrekbare huur bij een vermindering van de onroerende voorheffing beduidend kleiner wordt ?
3. Indien de artikelen 491 of 494 van het WIB 92 niet toepasselijk zijn, moet de vrijgestelde huur dan berekend worden op grond van het ongewijzigde kadastraal inkomen ?
4. Kan, aangezien loopbaanpacht alle gebruik van het goed voor andere dan landbouwkundige doeleinden uitsluit, de onroerende voorheffing verminderd worden wegens industriële improduktiviteit ?
ANTWOORD
Het geacht lid gelieve hierna de antwoorden op zijn vragen te vinden.
1. Buiten de algemene perekwaties gaat de administratie van het kadaster enkel over tot de schattingen en herschattingen van de kadastrale inkomens in de gevallen welke opgesomd worden bij artikel 494 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).
Artikel 494, § 1, 2° en § 2, 2°, WIB 92, voorziet niet in het wijzigen van het kadastraal inkomen van een perceel wanneer het, met het oog op zijn exploitatie, verdeeld wordt volgens bijzondere modaliteiten van de wetgeving inzake de pachtovereenkomsten. Insgelijks in de door het geacht lid gemaakte onderstellingen, dringt zich de toepassing van de beschikkingen van artikel 491, WIB 92, dat in een speciale herziening van het kadastraal inkomen van een gebouwd onroerend goed voorziet, niet op. Bovendien wordt, buiten elke fysische wijziging om, een splitsing van een gebouwd perceel niet overwogen, dan ingevolge wijzigingen die zich voordoen in hoofde van de houder van de zakelijke rechten van een deel van het beschouwde perceel.
2. Het past op te merken dat de overeenkomstig de forfaitaire grondslagen van aanslag belaste landbouwers (die het merendeel van de gevallen uitmaken) momenteel in het bijzonder het bedrag van de huurprijs voor beroepsgebouwen niet mogen aftrekken. Er moet worden geacht dat met die huurprijs is rekening gehouden bij het vaststellen van het forfait.
Een daling van de bedoelde huurprijs zou dus niet noodzakelijkerwijs de hoogte van de belastbare inkomsten beïnvloeden.
3. In dergelijk geval moet de vrijgestelde huur inderdaad op basis van het kadastrale inkomen in kwestie worden berekend.
4. De kwijtschelding of proportionele vermindering van het kadastrale inkomen en deze van de onroerende voorheffing, respectievelijk beoogd in de artikelen 15, § 1, 1°, en 257, 4°, WIB 92, kunnen hoe dan ook slechts voor een gebouwd onroerend goed toegekend worden.
Met dit principe voor ogen, is het vanzelfsprekend dat, indien een loopbaanpacht is afgesloten, pachtgelden verschuldigd zijn ingevolge dit contract.
Bijgevolg kan nooit voldaan zijn aan de voorwaarde betreffende "het ontbreken van het genot van inkomsten" die essentieel is voor het bekomen van bedoelde kwijtscheldingen of proportionele verminderingen.
Vraag nr. 1410 van de heer Duquesne dd. 02.02.1995
Bull. nr. 753, pag. 2879
Kadastraal inkomen - Herziening - Pachtcontract
1. Indien men ervan uitgaat dat de huur voor een onroerend goed dat in pacht gegeven wordt, overeenstemt met het kadastraal inkomen van het verpachte goed waarop een coëfficiënt wordt toegepast, die de huurder kan aftrekken en die voor de eigenaar zelfs helemaal vrijgesteld is, dient het kadastraal inkomen van het goed dan niet herzien te worden (althans voor het gedeelte dat in het kader van een loopbaanpachtovereenkomst wordt verpacht), met verwijzing naar de overmacht in het kader van de speciale herziening (artikel 491 van het WIB 92 of artikel 494, § 1, 2°, en § 2, 2°, van het WIB 92), wegens verdeling van een gebouwd perceel en wijziging van de grootte, enz. ?
2. Zouden de fiscale gevolgen niet gunstiger uitvallen voor de staat, voor zover de aftrekbare huur bij een vermindering van de onroerende voorheffing beduidend kleiner wordt ?
3. Indien de artikelen 491 of 494 van het WIB 92 niet toepasselijk zijn, moet de vrijgestelde huur dan berekend worden op grond van het ongewijzigde kadastraal inkomen ?
4. Kan, aangezien loopbaanpacht alle gebruik van het goed voor andere dan landbouwkundige doeleinden uitsluit, de onroerende voorheffing verminderd worden wegens industriële improduktiviteit ?
ANTWOORD
Het geacht lid gelieve hierna de antwoorden op zijn vragen te vinden.
1. Buiten de algemene perekwaties gaat de administratie van het kadaster enkel over tot de schattingen en herschattingen van de kadastrale inkomens in de gevallen welke opgesomd worden bij artikel 494 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).
Artikel 494, § 1, 2° en § 2, 2°, WIB 92, voorziet niet in het wijzigen van het kadastraal inkomen van een perceel wanneer het, met het oog op zijn exploitatie, verdeeld wordt volgens bijzondere modaliteiten van de wetgeving inzake de pachtovereenkomsten. Insgelijks in de door het geacht lid gemaakte onderstellingen, dringt zich de toepassing van de beschikkingen van artikel 491, WIB 92, dat in een speciale herziening van het kadastraal inkomen van een gebouwd onroerend goed voorziet, niet op. Bovendien wordt, buiten elke fysische wijziging om, een splitsing van een gebouwd perceel niet overwogen, dan ingevolge wijzigingen die zich voordoen in hoofde van de houder van de zakelijke rechten van een deel van het beschouwde perceel.
2. Het past op te merken dat de overeenkomstig de forfaitaire grondslagen van aanslag belaste landbouwers (die het merendeel van de gevallen uitmaken) momenteel in het bijzonder het bedrag van de huurprijs voor beroepsgebouwen niet mogen aftrekken. Er moet worden geacht dat met die huurprijs is rekening gehouden bij het vaststellen van het forfait.
Een daling van de bedoelde huurprijs zou dus niet noodzakelijkerwijs de hoogte van de belastbare inkomsten beïnvloeden.
3. In dergelijk geval moet de vrijgestelde huur inderdaad op basis van het kadastrale inkomen in kwestie worden berekend.
4. De kwijtschelding of proportionele vermindering van het kadastrale inkomen en deze van de onroerende voorheffing, respectievelijk beoogd in de artikelen 15, § 1, 1°, en 257, 4°, WIB 92, kunnen hoe dan ook slechts voor een gebouwd onroerend goed toegekend worden.
Met dit principe voor ogen, is het vanzelfsprekend dat, indien een loopbaanpacht is afgesloten, pachtgelden verschuldigd zijn ingevolge dit contract.
Bijgevolg kan nooit voldaan zijn aan de voorwaarde betreffende "het ontbreken van het genot van inkomsten" die essentieel is voor het bekomen van bedoelde kwijtscheldingen of proportionele verminderingen.
Bron: FisconetPlus
