Parlementaire vraag nr. 1368 van mevrouw Pieters van 17.07.2006

Vragen en Antwoorden, Kamer, 2006-2007, nr. 156, blz. 30240-30243

Vrijstellingen en aftrekposten - Fiscale opgaven

VRAAG

De bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de desbetreffende reglementaire uitvoeringsbesluiten bevatten tal van beschikkingen die gezamenlijk stellen dat de belastingplichtigen welbepaalde staten, opgaven en/of modelformulieren - die al dan niet een integrerend deel van het aangifteformulier vormen - samen met hun aangifte tijdig moeten indienen.

Het betreft hier aanvragen tot het verkrijgen van belastingvrijstellingen en -aftrekkingen, zoals onder meer de gespreide belasting van meerwaarden (276K), de vrijstelling van meerwaarden op bedrijfsvoertuigen 276N), de investeringsaftrek (276U), de investeringsreserve (275R), de degressieve afschrijvingen (328K), de vrijstelling bijkomend personeel (276T), het belastingkrediet (275N) en de vrijgestelde waardeverminderingen en provisies (204.3).

Niettegenstaande het grondwettelijk legaliteitsbeginsel, de bepalingen van artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek en de bepalingen van het WIB 1992, blijkt dat bij samenlezing van de thans vigerende administratieve onderrichtingen, parlementaire vragen en vonnissen van de hoven van beroep en de rechtbanken van eerste aanleg er tot nu toe steeds geen rechtlijnige en/of uniforme administratieve visie bestaat.

Terzake rijzen dan ook de volgende algemene praktische vragen.

1. Mogen alle voornoemde opgaven en staten voortaan nu één voor één in om het even welke fase van de taxatie- en geschillenprocedure worden ingediend?

2. Welke van alle voornoemde opgaven en staten vormen overeenkomstig de bepalingen van artikel 307, § 3, WIB 1992 nu wel nog een integrerend deel van het aangifteformulier inzake vennootschapsbelasting en inzake personenbelasting?

3.

a) Zijn de termijnen en de substantiële vormen waarvan duidelijk sprake in alle desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen alle voorgeschreven op straffe van verval?

b) Zo neen, waarom niet en wat is hun daadwerkelijke betekenis dan nog?

4. Raken in deze materie de beoogde substantiële vormen, die de regels van de wettigheid inzake directe belastingen garanderen, eveneens de openbare orde?

5.

a) Zijn de regels van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de excepties van nietigheid al dan niet van toepassing inzake de tijdige en de verplichte indiening van al dergelijke opgaven, staten en formulieren wetende dat de bepalingen van de belastingwet de openbare orde raken (zie ook: gerechtelijk commentaar - Cassatie, 7 april 2000 - Pasicrisie 2000/I/233)?

b) Zo ja, waarom wel?

6. Kunt u ter voorkoming van alle mogelijke verwarring of misverstanden punt per punt en dit afzonderlijk zowel inzake personenbelasting als inzake vennootschapsbelasting, uw huidige eenduidige ziensen handelwijze meedelen zowel onder meer in het licht van de wettelijke en reglementaire bepalingen van het WIB 1992, het grondwettelijke legaliteitsbeginsel, het openbare-ordekarakter van de belastingen, artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek?

ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 26.02.2007)

Vanaf het aanslagjaar 2004 wordt in de aangifte in de vennootschapsbelasting uitdrukkelijk de overlegging gevraagd van volgende bescheiden : jaarrekening, verslagen aan en besluiten van de algemene vergadering en de investeringsaftrek (276U). Voormelde bescheiden vormen dus een integrerend deel van de aangifte in de vennootschapsbelasting.

Wat de aangifte in de personenbelasting betreft, vormt geen enkele bijlage een integrerend deel van de aangifte.

Volgens de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 en/of het koninklijk besluit tot uitvoering ervan dienen in principe de opgaven 276K (gespreide belasting van meerwaarden), 276N (vrijstelling van meerwaarden op bedrijfsvoertuigen), 275R (investeringsreserve), 275N belastingkrediet inzake vennootschapsbelasting), 276U (investeringsaftrek) en de tabel 276T (vrijstelling voor bijkomend personeel) bij de aangifte in de desbetreffende inkomstenbelastingen voor het betrokken aanslagjaar te worden gevoegd.

Wat de indiening van de opgave 204.3 (staat van de waardeverminderingen voor waarschijnlijke verliezen en van de voorzieningen voor risico's en kosten) en opgave 328K (degressieve afschrijvingen) betreffen, verwijs ik naar het antwoord op de parlementaire vragen nr. 391 van 8 juni 2000 ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2001-2002, nr. 102, blz. 11884) en nr. 66 van 22 oktober 2003 (V ragen en Antwoorden, Kamer, 2004-2005, nr. 075, blz. 12545) van het geachte lid en het antwoord op de parlementaire vraag nr. 890 van 27 juli 2005 ( Vragen en Antwoorden, Kamer, 2005- 2006, nr. 112, blz. 21082) gesteld door de volksvertegenwoordiger Devlies Carl.

Vermits de theorie van de exceptie van nietigheid opgenomen in de artikelen 860 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek betrekking heeft op proceshandelingen, zie ik niet in hoe deze principes in casu van toepassing kunnen zijn.