Parlementaire vraag nr. 818 van de heer Desimpel van 29.10.2001

VRAAG 01/818

Vraag nr. 818 van de heer Desimpel dd. 29.10.2001


Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 125, blz. 15714-15716

Bull. nr. 833, pag. 216-218

Economische werkelijkheid - Raadpleging hoofdbestuur

VRAAG

Op basis van artikel 344, § 1, WIB 1992 kan aan de Administratie der Directe Belastingen niet worden tegengeworpen de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft belasting te ontwijken.

Dit artikel stelt de administratie in staat bepaalde verrichtingen van belastingplichtigen te toetsen aan het economisch werkelijkheidsgehalte, mits aan bepaalde strikte voorwaarden wordt voldaan.

Dat die toepassing in praktijk kan leiden tot belangrijke belastingcorrecties spreekt voor zich. Precies voor dergelijke situaties, voorziet een circulaire van de administratie uitdrukkelijk dat "de taxatieambtenaar in geval van twijfel het hoofdbestuur der Directe Belastingen dient te raadplegen" (CID 19-453895 van 6 december 1993, nrs. 18 en 26). Het betreft hier een verplichting voor de taxatieambtenaren.

1. Is voormelde circulaire en de daarin opgenomen verplichting om in geval van twijfel het hoofdbestuur te raadplegen ook van toepassing op de taxatieambtenaren van de BBI?

2.

a) Kan een taxatieambtenaar op discretionaire wijze "zelf" elke twijfel uitsluiten?

b) Dient een dispuut met een belastingplichtige waar herkwalificatie dreigt te leiden tot zeer belangrijke aanslagen niet sowieso bij een taxatieambtenaar een gerede twijfel op te roepen, wat moet leiden tot raadpleging van het hoofdbestuur?

ANTWOORD

1. De administratieve onderrichtingen waarnaar het geachte lid verwijst, gelden evenzeer voor BBI-ambtenaren, zij het dat zij in casu het dossier vooraf via de hiërarchische weg aan hun eigen hoofdbestuur dienen voor te leggen.

2. De interne richtlijnen van de administratie schrijven voor dat bij een blijvend niet-akkoord, het advies moet worden ingewonnen van de inspecteur A wat betreft de klassieke diensten van de administratie van de Directe Belastingen en van de afdeling Geschillen wat betreft de controlecentra van de administratie van de Inkomens- en Ondernemingsfiscaliteit.

Deze richtlijnen gelden uiteraard eveneens voor de niet-akkoorden in verband met de toepassing van artikel 344, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).

Met betrekking tot de toepassing van voormeld artikel 344, § 1, WIB 1992, is in de circulaire van 6 december 1993, Ci.D.9/453.895 bepaald dat in geval van twijfel de taxatieambtenaar de centrale diensten moet raadplegen.