Parlementaire vraag nr. 208 van mevrouw Pieters van 12.01.2004
VRAAG 04/208
Vraag nr. 208 van mevrouw Pieters dd. 12.01.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 114, blz. 21884-21886
Voorziening voor betwiste ingekohierde belastingen
VRAAG
Overeenkomstig het advies nr. 128/6 van de Commissie voor boekhoudkundige normen (Bulletin CBN, nr. 14, juni 1984, blz. 15-21) kan voor al dan niet ambsthalve betwiste ingekohierde directe en voor indirecte belastingen blijkbaar voorzichtigheidshalve een boekhoudkundige «voorziening» worden aangelegd.
In de praktijk rijzen terzake evenwel de volgende algemene fiscale en boekhoudkundige vragen.
1. Kunnen die boekhoudkundig aangelegde voorzieningen inzake vennootschapsbelasting geheel of gedeeltelijk van belasting worden vrijgesteld op grond van de artikelen 48, 183 en 185 WIB 1992 ?
2. Hoe moeten deze voorzieningen voor risico's en kosten of provisies jaarlijks worden be- en herrekend en welk precies bedrag kan en/of moet er «minimaal» en «maximaal» worden aangelegd en vervolgens geheel of gedeeltelijk van vennootschapsbelasting worden vrijgesteld:
a) in geval van bezwaarschrift (zie artikel 366 WIB 1992) al dan niet afhankelijk van het feit of de nietigheid en/of willekeurigheid van de betwiste aanslagen werd ingeroepen en/of het gaat om principiële kwesties;
b) in geval van verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing in de zin van artikel 376 WIB 1992;
c) in geval van een vervangende aanslag waarvan sprake in artikel 355 WIB 1992;
d) in geval van fiscaal verhaal bij de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg;
e) in geval van beroep bij het Arbitragehof;
f) in geval van verzoekschrift bij het hof van beroep;
g) in geval van een voorziening in Cassatie ?
3. Op welke datum moeten die betwiste zaken boekhoudkundig en fiscaal worden beoordeeld:
a) op datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;
b) op datum van verzending van het al dan niet ambtshalve aanslagbiljet;
c) op datum van indiening van het bezwaarschrift of fiscaal verzoekschrift;
d) op de uiterste betalingsdatum;
e) op enig ander tijdstip ?
4. Is er (jaarlijks) een verschillende boekhoudkundige en/of fiscale berekenings- en behandelingswijze door te voeren al naar gelang het respectievelijk gaat om:
a) ingekohierde gewone aanslagen in de vennootschapsbelasting, in de roerende voorheffing en in de bedrijfsvoorheffing;
b) ingekohierde bijzondere aanslagen in de vennootschapsbelasting (zie oud en nieuw artikel 219 WIB 1992 en nieuw artikel 197 WIB 1992);
c) BTW;
d) andere indirecte belastingen (zoals bijvoorbeeld registratierechten);
e) milieuheffingen ?
5. Geldt terzake de primauteit van het boekhoudrecht ?
6. Kan u, punt per punt, uw huidige algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van de boekhoudwetgeving als van de wettelijke bepalingen van de artikelen 25, 5°, 48, 49, 183, 185, 197, 198, 219, 355 en 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de reglementaire bepalingen van de artikelen 24 tot en met 27 KB/WIB 1992 en van het grondwettelijke beginsel van de eenjarigheid van de belastingen ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 22.03.2006)
De vragen met betrekking tot de gegrondheid, het bedrag en het moment van de aanleg van een boekhoudkundige voorziening voor de betwiste ingekohierde belastingen behoren tot de bevoegdheid van mijn collega van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Énergie. (Vraag nr. 50 van 12 januari 2004, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 35, blz. 5395 en Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003- 2004, nr. 41, blz. 6390.) Daarvoor kan ik het geachte lid nuttig verwijzen naar het advies nr. 128/1, 2 en 3 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (Bulletin CBN, nr. 7, juni 1980, nr. 8, april 1981 en nr. 10, april 1983).
In het onderliggende geval primeert het boekhoudrecht op het fiscaal recht, met dien verstande dat de vrijstelling van een voorziening voor risico's en kosten afhangt van het voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) en 22 tot 27 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De onderhavige voorzieningen beantwoorden in principe niet aan de des betreffende voorwaarden en zijn aldus belastbaar krachtens artikel 25, 5°, WIB 1992.
Vraag nr. 208 van mevrouw Pieters dd. 12.01.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 114, blz. 21884-21886
Voorziening voor betwiste ingekohierde belastingen
VRAAG
Overeenkomstig het advies nr. 128/6 van de Commissie voor boekhoudkundige normen (Bulletin CBN, nr. 14, juni 1984, blz. 15-21) kan voor al dan niet ambsthalve betwiste ingekohierde directe en voor indirecte belastingen blijkbaar voorzichtigheidshalve een boekhoudkundige «voorziening» worden aangelegd.
In de praktijk rijzen terzake evenwel de volgende algemene fiscale en boekhoudkundige vragen.
1. Kunnen die boekhoudkundig aangelegde voorzieningen inzake vennootschapsbelasting geheel of gedeeltelijk van belasting worden vrijgesteld op grond van de artikelen 48, 183 en 185 WIB 1992 ?
2. Hoe moeten deze voorzieningen voor risico's en kosten of provisies jaarlijks worden be- en herrekend en welk precies bedrag kan en/of moet er «minimaal» en «maximaal» worden aangelegd en vervolgens geheel of gedeeltelijk van vennootschapsbelasting worden vrijgesteld:
a) in geval van bezwaarschrift (zie artikel 366 WIB 1992) al dan niet afhankelijk van het feit of de nietigheid en/of willekeurigheid van de betwiste aanslagen werd ingeroepen en/of het gaat om principiële kwesties;
b) in geval van verzoekschrift tot ambtshalve ontheffing in de zin van artikel 376 WIB 1992;
c) in geval van een vervangende aanslag waarvan sprake in artikel 355 WIB 1992;
d) in geval van fiscaal verhaal bij de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg;
e) in geval van beroep bij het Arbitragehof;
f) in geval van verzoekschrift bij het hof van beroep;
g) in geval van een voorziening in Cassatie ?
3. Op welke datum moeten die betwiste zaken boekhoudkundig en fiscaal worden beoordeeld:
a) op datum van uitvoerbaarverklaring van het kohier;
b) op datum van verzending van het al dan niet ambtshalve aanslagbiljet;
c) op datum van indiening van het bezwaarschrift of fiscaal verzoekschrift;
d) op de uiterste betalingsdatum;
e) op enig ander tijdstip ?
4. Is er (jaarlijks) een verschillende boekhoudkundige en/of fiscale berekenings- en behandelingswijze door te voeren al naar gelang het respectievelijk gaat om:
a) ingekohierde gewone aanslagen in de vennootschapsbelasting, in de roerende voorheffing en in de bedrijfsvoorheffing;
b) ingekohierde bijzondere aanslagen in de vennootschapsbelasting (zie oud en nieuw artikel 219 WIB 1992 en nieuw artikel 197 WIB 1992);
c) BTW;
d) andere indirecte belastingen (zoals bijvoorbeeld registratierechten);
e) milieuheffingen ?
5. Geldt terzake de primauteit van het boekhoudrecht ?
6. Kan u, punt per punt, uw huidige algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van de boekhoudwetgeving als van de wettelijke bepalingen van de artikelen 25, 5°, 48, 49, 183, 185, 197, 198, 219, 355 en 360 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de reglementaire bepalingen van de artikelen 24 tot en met 27 KB/WIB 1992 en van het grondwettelijke beginsel van de eenjarigheid van de belastingen ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 22.03.2006)
De vragen met betrekking tot de gegrondheid, het bedrag en het moment van de aanleg van een boekhoudkundige voorziening voor de betwiste ingekohierde belastingen behoren tot de bevoegdheid van mijn collega van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Énergie. (Vraag nr. 50 van 12 januari 2004, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 35, blz. 5395 en Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003- 2004, nr. 41, blz. 6390.) Daarvoor kan ik het geachte lid nuttig verwijzen naar het advies nr. 128/1, 2 en 3 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (Bulletin CBN, nr. 7, juni 1980, nr. 8, april 1981 en nr. 10, april 1983).
In het onderliggende geval primeert het boekhoudrecht op het fiscaal recht, met dien verstande dat de vrijstelling van een voorziening voor risico's en kosten afhangt van het voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) en 22 tot 27 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De onderhavige voorzieningen beantwoorden in principe niet aan de des betreffende voorwaarden en zijn aldus belastbaar krachtens artikel 25, 5°, WIB 1992.
Bron: FisconetPlus
