Parlementaire vraag nr. 1175 van de heer L. Standaert van 18.07.1994
Kamer, Vragen en Antwoorden, 1994-1995, QRVA 48/126 d.d. 24.10.1994, blz. 13183
Erediensten - Wetgeving
VRAAG
Door persoonlijke navraag op verschillende kabinetten en bij verschillende bibliotheken zijn wij tot de vaststelling gekomen dat in België een viertal grondwetsartikelen en een goeie 400 koninklijk en ministeriële besluiten, wetten, decreten, keizerlijke decreten, regentsbesluiten, ordonnantiën, basiswetten van het koninkrijk der Nederlanden, besluiten van Willem van Oranje-Nassau, enzovoort ... het wel en wee van de door de wet erkende erediensten regelen. Toch blijkt niemand het bos door de bomen te zien.
Welke wetgeving (in materiële zin) is vandaag van kracht betreffende de erediensten waarvoor u bevoegd bent ?
ANTWOORD
Het geacht lid vindt hieronder de inlichtingen betreffende de wetgeving inzake erediensten waarvan de toepassing door mijn departement verzekerd wordt.
Ik neem echter de vrijheid de aandacht van het geacht lid te vestigen op het feit dat de wetgeving inzake erediensten inzonderheid tot de bevoegdheid behoort van mijn collega van Justitie. (Vraag nr. 680 van 5 juli 1994, Vragen en Antwoorden, Kamer, 93-94, nr. 122, blz. 12.276).
1. Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - Wetboek der successierechten - Wetboek der zegelrechten - Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Er is geen specifieke bepaling omtrent de erediensten in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, in het Wetboek der successierechten, het Wetboek der zegelrechten en het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Nochtans in hun hoedanigheid van openbare instelling andere dan van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten genieten de kerkfabrieken, de beheerraden die door koninklijk besluit bij de godsdienstige instellingen der protestantse, anglicaanse en israëlitische erediensten ingesteld zijn en de diocesane seminaries :
| a) | de kosteloze registratie voor overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte die aan hen worden gedaan (artikel 161, 2°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten); |
| b) | de vrijstelling van het zegelrecht voor de uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand of uit de registers gehouden door de ambtenaren van de burgerlijke stand voor de akten betreffende het verkrijgen, het herkrijgen, het behoud en het verlies van nationaliteit wanneer bedoelde uittreksels aan hen worden afgeleverd (artikel 59-[1], 6°, van het Wetboek der zegelrechten); |
| c) | de vermindering van het registratierecht op de schenkingen onder levenden tot 6,60 %, voor schenkingen die aan hen gedaan zijn (artikel 140, 1°, van het Wetboek de registratie-, hypotheek- en griffierechten); |
| d) | de vermindering van het successierecht en van het recht van overgang bij overlijden tot 6,60 % voor de legaten die ze ontvangen (artikel 59, 1°, van het Wetboek der successierechten). |
| II. | Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen. |
Het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen voorziet in een vrijstelling van de belasting voor aanplakking :
- voor de plakbrieven van de bedienaars der erediensten erkend door de Staat, betreffende de oefeningen, plechtigheden en diensten van de eredienst (artikel 198, 4°, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen);
- voor de plakbrieven ter aankondiging van openbare voordrachten of vergaderingen die worden belegd tot godsdienstige propaganda en waarvoor geen betaling vereist wordt (artikel 198, 5°, van hetzelfde Wetboek).
Bovendien genieten de onder punt I vermelde instellingen in hun hoedanigheid van openbare instelling :
| a) | de vrijstelling van de jaarlijkse taks op de premies verschuldigd in hoofde van verzekeringscontracten door hen afgesloten (artikel 176- [2], 6°, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen); |
| b) | de vrijstelling van belasting voor aanplakking voor plakbrieven aangeplakt door hen (artikel 198, 1°, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen). |
| III. | Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92). |
1. Krachtens artikel 12, § 1, WIB, wordt van de personenbelasting vrijgesteld, het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige zonder winstoogmerken heeft bestemd voor het uitoefenen van een openbare eredienst.
2. Krachtens artikel 253, 1°, WIB 92, wordt van de onroerende voorheffing vrijgesteld, het kadastraal inkomen van de in artikel 12 vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen.
3. Krachtens artikel 253, 3°, WIB 92, wordt van de onroerende voorheffing vrijgesteld, het kadastraal inkomen van onroerende goederen die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt. De vrijstelling is van de drie voorwaarden samen afhankelijk.
Wordt onder meer van de onroerende voorheffing vrijgesteld, voor zover gelijktijdig aan de drie voorwaarden is voldaan, het kadastraal inkomen van :
- de onroerende goederen die aan de kerkfabrieken toebehoren;
- de kerken en tempels bestemd voor het uitoefenen van een openbare eredienst;
- het aartsbisdom, de bisdommen, de seminaries en de pastorijen.
4. Krachtens artikel 220, 1°, WIB 92, zijn de openbare kerkelijke instellingen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting (artikelen 220 tot 226, WIB 92).
Artikel 221, 1°, WIB 92, stelt van de rechtspersonenbelasting vrij, het kadastraal inkomen van de in België gelegen onroerende goederen van de openbare kerkelijke instellingen, wanneer dit inkomen van de onroerende voorheffing vrijgesteld is ingevolge artikel 253 of ingevolge bijzondere wettelijke bepalingen.
Bron: FisconetPlus
