Parlementaire vraag nr. 365 van de heer Peeters van 26.05.2000

VRAAG 00/365
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 105, blz. 12315-12316
Hypothecaire leningen - Begrip financiële instelling
VRAAG
Tijdens de bespreking van mijn wetsvoorstel inzake belastingaftrek voor hypothecaire leningen zonder schuldsaldoverzekering ging u ervan uit dat deze konden gesloten worden door andere dan louter financiële instellingen (Parl. St., Kamer, 1999-2000, nrs. 273/1 en 4). U stelde dat ook een werkgever die zijn werknemer een dergelijke lening toestaat als een instelling kan worden beschouwd.
1. Impliceert deze verruimde interpretatie dat de gemeenschap gevormd door een koppel gehuwd met huwelijkscontract, als instelling kan fungeren bij het toekennen van een hypothecaire lening?
2. Kan een hypothecaire lening, gesloten tegen marktvoorwaarden voor een notaris met een notariële akte bij een dergelijke belangengemeenschap, fiscaal ingebracht worden?
3. Zo niet, hoe rechtvaardigt u dit onderscheid?
ANTWOORD
Onder het in artikel 145^1, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 vermelde begrip "instelling" moeten inzonderheid de financiële instellingen en de kredietinstellingen worden verstaan die normaliter in het kader van hun beroepsactiviteiten gerechtigd zijn leningen toe te staan en dienaangaande doorgaans aan enige controle vanwege de desbetreffende beroeps- of overheidsinstanties onderworpen zijn.
Daar een echtpaar niet als een dergelijke instelling kan aangemerkt worden, luidt het antwoord op de terzake door het geachte lid gestelde vragen ontkennend.